De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
DE WOORDEN VAN MORMON
  8 En mijn agebed tot God betreft mijn broeders, dat zij opnieuw tot de kennis van God, ja, van de verlossing door Christus zullen komen; dat zij opnieuw een baangenaam volk zullen zijn.

Voetnoten
8a
2 Ne. 33:3–4.
  3 Maar ik, Nephi, heb geschreven wat ik heb geschreven, en ik acht het van grote awaarde, en in het bijzonder voor mijn volk. Want des daags bbid ik onophoudelijk voor hen, en des nachts bevochtigen mijn ogen mijn kussen wegens hen; en ik roep mijn God in geloof aan, en ik weet dat Hij mijn smeekbede zal horen.
Enos 1:11–12.
  11 En nadat ik, Enos, deze woorden had gehoord, begon mijn geloof onwrikbaar te worden in de Heer; en ik bad tot Hem en streed lang en menigmaal voor mijn broeders, de Lamanieten.
b
2 Ne. 30:6.
  6 En dan zullen zij zich verheugen; want zij zullen weten dat het voor hen een zegen uit de hand van God is; en de schellen van duisternis zullen hun van de ogen beginnen te vallen; en er zullen niet vele geslachten onder hen voorbijgaan, vooraleer zij een rein en aaangenaam volk zijn.