De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK MOSIAH
HOOFDSTUK 7
  19 Daarom, heft uw hoofd op en verheugt u en stelt uw vertrouwen in aGod, in die God die de God van Abraham en Isaak en Jakob was; en ook die God die de kinderen Israëls uit het land Egypte bbracht en hen over het droge door de Rode Zee deed trekken, en hen met cmanna voedde, opdat zij niet zouden omkomen in de wildernis; en nog veel meer dingen deed Hij voor hen.

Voetnoten
19a
Ex. 3:6.
1 Ne. 19:10.
  10 En de aGod van onze vaderen, die uit Egypte werden buitgeleid, uit de slavernij, en ook in de wildernis door Hem werden bewaard, ja, de cGod van Abraham en van Isaak, en de God van Jakob, dgeeft Zich, volgens de woorden van de engel, als mens over in de handen van goddelozen om te worden everhoogd, volgens de woorden van fZenock, en te worden ggekruisigd, volgens de woorden van Neüm, en in een hgraf te worden gelegd, volgens de woorden van iZenos die hij sprak met betrekking tot de drie dagen jduisternis, hetgeen een teken van zijn dood zou zijn, gegeven aan hen die de eilanden der zee zouden bewonen, en meer in het bijzonder aan hen die van het khuis Israëls zijn.
b
Ex. 12:40–41.
Alma 36:28.
  28 En ik weet dat Hij mij ten laatsten dage zal aopwekken om in bheerlijkheid bij Hem te wonen; ja, en ik zal Hem voor eeuwig loven, want Hij heeft onze vaderen uit Egypte cgebracht, en de dEgyptenaren heeft Hij in de Rode Zee verzwolgen; en door zijn macht heeft Hij hen het beloofde land ingevoerd; ja, en van tijd tot tijd heeft Hij hen uit hun knechtschap en gevangenschap bevrijd.
c
Ex. 16:15, 35.
Num. 11:7–8.
Jozua 5:12.