De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK MOSIAH
HOOFDSTUK 3
  26 Daarom hebben zij uit de beker van de verbolgenheid Gods gedronken, waarvan de gerechtigheid hun evenmin kon vrijwaren als zij kon ontkennen dat aAdam zou vallen omdat hij van de verboden bvrucht had genomen; daarom kon de cbarmhartigheid nimmermeer aanspraak op hen maken.

Voetnoten
26a
Mrm. 9:12.
  12 Zie, Hij heeft Adam geschapen, en door aAdam is de bval van de mens gekomen. En wegens de val van de mens is Jezus Christus gekomen, ja, de Vader en de Zoon; en wegens Jezus Christus is de cverlossing van de mens gekomen.
b
Gen. 3:1–12.
2 Ne. 2:15–19.
  15 En om zijn eeuwige adoeleinden ten behoeve van de mens te bereiken, moest er wel — nadat Hij onze eerste ouders had geschapen, en de dieren van het veld en de vogels van de lucht, kortom alle dingen die geschapen zijn — een tegenstelling zijn, namelijk de bverboden cvrucht in tegenstelling tot de dboom des levens, de een zoet en de ander bitter.
Alma 12:21–23.
  21 Wat betekent het schriftgedeelte waarin staat dat God ten oosten van de hof van aEden bcherubs met een vlammend zwaard stelde, opdat onze eerste ouders niet zouden ingaan en nemen van de vrucht van de boom des levens en voor eeuwig leven? En zo zien wij dat er geen enkele mogelijkheid was dat zij voor eeuwig zouden leven.
c