De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
SELECTIE UIT HET BOEK MOZES
HOOFDSTUK 4
(Juni–oktober 1830)
  28 En Ik, de Here God, zeide tot mijn Eniggeborene: Zie, de amens is geworden als een van Ons om goed en kwaad te bkennen; en nu, opdat hij niet zijn hand zal uitstrekken en ook cnemen van de dboom des levens, en eten en voor eeuwig leven,

Voetnoten
28a
Gen. 3:22.
b
c
Alma 42:4–5.
  4 en aldus zien wij dat de mens een tijd was vergund om zich te bekeren, ja, een aproeftijd, een tijd om zich te bekeren en God te dienen.
d
Gen. 2:9.
1 Ne. 11:25.
  25 En het geschiedde dat ik zag dat de aroede van ijzer die mijn vader had gezien, het woord Gods was, dat voerde naar de bron van blevende wateren, ofwel naar de cboom des levens, welke wateren een zinnebeeld zijn van de liefde Gods; en ik zag ook dat de boom des levens een zinnebeeld was van de liefde Gods.
Moz. 3:9.
  9 En uit de grond deed Ik, de Here God, elke boom groeien, op natuurlijke wijze, die aangenaam is voor de ogen van de mens; en de mens kon hem aanschouwen. En ook deze werd een levende ziel. Want hij was geestelijk ten dage dat Ik hem schiep; want hij verblijft in de sfeer waarin Ik, God, hem schiep, ja, alle dingen die Ik heb bereid voor het gebruik van de mens; en de mens zag dat het goed was als voedsel. En Ik, de Here God, plantte ook de aboom des levens in het midden van de hof, en ook de bboom der kennis van goed en kwaad.