De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige
Joseph Smith—Storia
GEDEELTEN UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE PROFEET JOSEPH SMITH
*Oliver Cowdery beschrijft deze gebeurtenissen als volgt: ‘Dit waren dagen om nooit te vergeten — te zitten onder het geluid van een stem die door inspiratie uit de hemel werd bevolen te spreken, wekte de allergrootste dankbaarheid op van dit hart! Dag in dag uit ging ik zonder onderbreking verder om de woorden uit zijn mond op te schrijven, terwijl hij met de Urim en Tummim of, zoals de Nephieten zouden hebben gezegd, de “uitleggers”, de geschiedenis of kroniek vertaalde die het “Boek van Mormon” heet.
‘Een vermelding, zelfs met enkele woorden, van het interessante verslag, gegeven door Mormon en zijn trouwe zoon Moroni, van een volk dat eens door de hemel werd bemind en begunstigd, zou voorbijgaan aan mijn huidige bedoeling; ik zal dat dus tot een later tijdstip uitstellen en, zoals ik in de inleiding heb gezegd, gelijk overgaan naar een paar voorvallen die nauw verband houden met het ontstaan van deze kerk, hetgeen interessant kan zijn voor enkele duizenden, die te midden van de fronsende blikken van dwepers en de laster van huichelaars naar voren zijn getreden en het evangelie van Christus hebben omhelsd.
‘Geen mens die bij zinnen is, zou de aanwijzingen kunnen vertalen en opschrijven die de Nephieten uit de mond van de Heiland waren gegeven over de juiste wijze waarop de mensen zijn kerk moesten opbouwen, en zeker nu ontaarding onzekerheid had verbreid over alle vormen en stelsels die onder de mensen in gebruik waren, zonder te verlangen naar het voorrecht de bereidwilligheid van het hart te mogen tonen door zich in het watergraf te laten begraven, ten teken van “een goed geweten door de opstanding van Jezus Christus.”
‘Na het schrijven van het verslag dat gegeven is van de bediening van de Heiland aan het overblijfsel van het nageslacht van Jakob op dit continent, was het gemakkelijk te zien, zoals de profeet had gezegd dat het zou zijn, dat duisternis de aarde bedekte en dichte duisternis het verstand der mensen. Bij verder nadenken was het even gemakkelijk te zien dat te midden van het grote geharrewar en het rumoer over godsdienst, niemand het gezag van God had om de verordeningen van het evangelie te bedienen. Want de vraag kan worden gesteld of mensen die openbaringen verloochenen, gezag hebben om in de naam van Christus te handelen, wanneer een getuigenis van Hem niets minder is dan de geest van profetie, en zijn godsdienst in alle tijdperken van de wereld waarin Hij een volk op aarde heeft gehad, door directe openbaring werd gegrondvest, opgebouwd en geschraagd. Ook al waren deze feiten begraven en zorgvuldig verborgen gehouden door personen wier nering in gevaar zou zijn gekomen, als die werd toegestaan in het gezicht der mensen te schijnen, voor ons waren ze dat niet langer, en wij wachtten slechts totdat het gebod zou worden gegeven: “Sta op en laat u dopen!”
‘Het duurde niet lang alvorens die wens werd verwezenlijkt. Het behaagde de Heer, die rijk is aan barmhartigheid en steeds bereid het aanhoudende gebed van de nederigen te verhoren, zijn wil aan ons te openbaren, nadat wij Hem op vurige wijze hadden aangeroepen, ver van de woningen der mensen. Plotseling, als uit het midden der eeuwigheid, schonk de stem van de Verlosser ons vrede in ons gemoed, terwijl de sluier werd geopend en de engel Gods, met heerlijkheid bekleed, naar beneden kwam en de boodschap bracht waarnaar wij zo verlangend hadden uitgezien, alsmede de sleutels van het evangelie van bekering. Welk een vreugde! Welk een wonder! Welk een verbazing! Terwijl de wereld gekweld en verbijsterd was — terwijl miljoenen als blinden naar de muur tastten en terwijl het hele mensdom, als geheel genomen, op onzekerheid steunde, zagen onze ogen en hoorden onze oren, als op klaarlichte dag; ja, meer nog — helderder dan de schittering van de meizon, die toen haar glans over het aangezicht der natuur uitstortte! Vervolgens drong zijn stem, ofschoon zacht, tot in het binnenste door, en zijn woorden, “ik ben uw mededienstknecht”, verdreven alle vrees. Wij luisterden, wij aanschouwden, wij bewonderden! Het was de stem van een engel uit de heerlijkheid, het was een boodschap van de Allerhoogste! En onder het luisteren verheugden we ons, terwijl zijn liefde onze ziel in gloed zette en wij opgingen in het visioen van de Almachtige! Waar was ruimte voor twijfel? Nergens; onzekerheid was gevloden, twijfel was verzonken om niet meer te verrijzen, terwijl verdichtsel en misleiding voor altijd gevloden waren!
‘Maar, geliefde broeder, denk verder, denk u voor een ogenblik in welk een vreugde ons hart vervulde en met welk een verbazing wij ons moeten hebben gebogen (want wie zou de knie niet hebben gebogen voor zulk een zegen?), toen wij onder zijn hand het heilig priesterschap ontvingen en hij zei: “Aan u, mijn mededienstknechten, verleen ik, in de naam van de Messias, dit priesterschap en dit gezag, dat op de aarde zal blijven, zodat de zonen van Levi de Heer alsnog een offer zullen offeren in gerechtigheid!”
‘Ik zal niet proberen u de gevoelens van dit hart af te schilderen, noch de majesteitelijke schoonheid en heerlijkheid die ons bij die gelegenheid omringden; maar u moet mij geloven als ik zeg dat aarde, noch mensen, met de welsprekendheid der eeuwen, zouden weten hun taal op zulk een boeiende en sublieme wijze in te kleden als die heilige persoon. Neen; evenmin heeft deze aarde de macht om de vreugde te geven, de vrede te schenken, of de wijsheid te peilen die opgesloten lag in iedere zin zoals die door de macht van de Heilige Geest werd uitgesproken! De mens moge zijn medemens misleiden, bedrog moge op bedrog volgen, en de kinderen van de boze mogen macht bezitten om de dwazen en de onwetenden te verleiden, totdat niets anders dan verdichtsel de menigte voedt, en de vrucht van de leugen de onnozelen in haar stroming ten grave voert; maar één aanraking met de vinger van zijn liefde, ja, één straal van heerlijkheid uit hoger sferen, of één woord uit de mond van de Heiland, uit de boezem der eeuwigheid, maakt dat alles onbetekenend, en wist het voor eeuwig uit de gedachten. De verzekering dat wij in de tegenwoordigheid van een engel verkeerden, de zekerheid dat wij de stem van Jezus hoorden, en de zuivere waarheid die toevloeide uit de mond van een rein wezen, opgedragen door de wil van God, gaan voor mij alle beschrijving te boven, en zolang het mij vergund wordt hier op aarde te blijven, zal ik deze uiting van de goedheid van de Heiland steeds met verwondering en dankbaarheid beschouwen; en in die woningen waar volmaaktheid heerst en de zonde nooit verschijnt, hoop ik te aanbidden in die dag die nooit zal eindigen.’ — Messenger and Advocate, deel 1 (oktober 1834), blz. 14–16.