De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK JAKOB
DE BROEDER VAN NEPHI
HOOFDSTUK 7
  24 En het geschiedde dat er vele manieren werden bedacht om de Lamanieten te aherwinnen en tot de kennis der waarheid terug te brengen; alles was echter btevergeefs, want zij schepten behagen in coorlogen en dbloedvergieten, en zij droegen ons, hun broeders, eeuwige ehaat toe. En zij trachtten ons voortdurend te vernietigen door de kracht van hun wapens.

Voetnoten
24a
Enos 1:20.
  20 En ik getuig dat het volk van Nephi er ijverig naar streefde de Lamanieten tot het ware geloof in God terug te brengen. Maar onze ainspanningen waren tevergeefs; hun haat stond vast en zij werden door hun boze aard geleid, zodat zij wild en woest werden, en een bbloeddorstig volk, vol cafgoderij en vuilheid; ze voedden zich met roofdieren, woonden in tenten en zwierven in de wildernis rond met een korte lederen gordel om hun lendenen en hun hoofd geschoren; en zij waren vaardig in het hanteren van de dboog en het kromzwaard en de strijdbijl. En velen van hen aten niets anders dan rauw vlees; en zij waren er voortdurend op uit ons te vernietigen.
b
Enos 1:14.
  14 want op dat moment waren onze inspanningen om hen tot het ware geloof terug te brengen atevergeefs. En zij zwoeren in hun verbolgenheid dat zij, zo mogelijk, onze kronieken en ons zouden bvernietigen, en eveneens alle overleveringen van onze vaderen.
c
Mos. 10:11–18.
  11 Welnu, de Lamanieten wisten niets van de Heer, noch van de kracht des Heren, waardoor zij op hun eigen kracht vertrouwden. Toch waren zij een sterk volk wat de kracht van mensen betreft.
d
Jarom 1:6.
  6 En zij waren verspreid over een groot deel van het oppervlak van het land, en de Lamanieten ook. En die waren veel talrijker dan de Nephieten; en zij amoordden graag en dronken het bloed van dieren.
Alma 26:23–25.
  23 Welnu mijn broeders, herinnert gij u dat wij tot onze broeders in het land Zarahemla hebben gezegd: Wij gaan op naar het land Nephi om tot onze broeders, de Lamanieten, te prediken, en dat zij ons hebben uitgelachen?
e
2 Ne. 5:1–3.
  1 Zie, het geschiedde dat ik, Nephi, de Heer, mijn God, vaak aanriep wegens de atoorn van mijn broeders.
Mos. 28:2.
  2 opdat zij hen misschien tot de kennis van de Heer, hun God, konden brengen en hen overtuigen van de ongerechtigheid van hun vaderen; opdat zij hen misschien konden genezen van hun ahaat tegen de Nephieten, opdat ook zij ertoe konden worden gebracht zich in de Heer, hun God, te verblijden, zodat zij elkaar vriendschappelijk gezind zouden worden en er geen twisten meer zouden zijn in het gehele land dat de Heer, hun God, hun had gegeven.