De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
ONDERWERPEN OP ALFABET
Hel
Hedendaagse openbaring hecht aan het woord hel minstens twee betekenissen. In de eerste plaats is het de tijdelijke verblijfplaats in de geestenwereld van hen die in het sterfelijk leven ongehoorzaam zijn geweest. In deze betekenis komt er aan de hel een eind. De geesten die daar verblijven, zullen in het evangelie worden onderwezen. Na hun bekering zullen zij uit de doden worden opgewekt tot die graad van heerlijkheid waarvoor zij zich waardig hebben betoond. Wie zich niet bekeren, maar toch geen zonen des verderfs zijn, zullen gedurende het gehele millennium in de hel blijven. Na deze duizendjarige kwelling zullen zij worden opgewekt tot een telestiale heerlijkheid (LV 76:81–86; 88:100–101).
In de tweede plaats is het de permanente verblijfplaats van hen die niet door de verzoening van Jezus Christus worden verlost. In deze betekenis is de hel blijvend en bestemd voor hen die ‘vuil blijven’ (LV 88:35, 102). Dit is het oord waar Satan, zijn engelen en de zonen des verderfs — zij die de Zoon verloochenen nadat de Vader Hem heeft geopenbaard — voor eeuwig zullen wonen (LV 76:43–46).
Soms wordt de hel in de Schriften de buitenste duisternis genoemd.
Davids ziel wordt niet prijsgegeven aan de hel, Ps. 16:10 (Ps. 86:13). Het is beter verminkt ten leven in te gaan, dan met twee handen ter helle te varen, in het onuitblusbare vuur, Marc. 9:43 (Mos. 2:38). De rijke in de hel slaat zijn ogen op onder de pijnigingen, Luc. 16:22–23 (LV 104:18). De dood en de hel gaven de doden op, Op. 20:13. Er is een plaats bereid, ja, namelijk die verschrikkelijke hel, 1 Ne. 15:35. De wil van het vlees geeft de geest van de duivel macht om ons naar de hel omlaag te trekken, 2 Ne. 2:29. Christus heeft de weg bereid voor onze ontkoming aan de dood en de hel, 2 Ne. 9:10–12. Wie vuil blijven, zullen heengaan in een eeuwigdurende kwelling, 2 Ne. 9:16. De duivel bedriegt hun ziel en voert hen bedachtzaam ter helle, 2 Ne. 28:21. Jezus heeft mijn ziel verlost uit de hel, 2 Ne. 33:6. Bevrijd u van de pijnen der hel, Jakob 3:11. Gevangengenomen worden door de duivel en door zijn wil worden afgevoerd naar de vernietiging, is wat er wordt bedoeld met de ketenen der hel, Alma 12:11. De goddelozen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis tot de tijd van hun opstanding, Alma 40:13–14. Voor wie vuil zijn, zou het ellendiger zijn om bij God te wonen dan in de hel, Mrm. 9:4. De straf die uitgaat van mijn hand is oneindige straf, LV 19:10–12. De hel is een plaats die voor de duivel en zijn engelen is bereid, LV 29:37–38. Wie God belijden, worden bevrijd van de dood en de ketenen der hel, LV 138:23.