Soms wordt de hel in de Schriften de buitenste duisternis genoemd.
Davids ziel wordt niet prijsgegeven aan de hel,
Ps. 16:10 (Ps. 86:13). Het is beter verminkt ten leven in te gaan, dan met twee handen ter helle te varen, in het onuitblusbare vuur,
Marc. 9:43 (
Mos. 2:38). De rijke in de hel slaat zijn ogen op onder de pijnigingen,
Luc. 16:22–23 (
LV 104:18). De dood en de hel gaven de doden op,
Op. 20:13. Er is een plaats bereid, ja, namelijk die verschrikkelijke hel,
1 Ne. 15:35. De wil van het vlees geeft de geest van de duivel macht om ons naar de hel omlaag te trekken,
2 Ne. 2:29. Christus heeft de weg bereid voor onze ontkoming aan de dood en de hel,
2 Ne. 9:10–12. Wie vuil blijven, zullen heengaan in een eeuwigdurende kwelling,
2 Ne. 9:16. De duivel bedriegt hun ziel en voert hen bedachtzaam ter helle,
2 Ne. 28:21. Jezus heeft mijn ziel verlost uit de hel,
2 Ne. 33:6. Bevrijd u van de pijnen der hel,
Jakob 3:11. Gevangengenomen worden door de duivel en door zijn wil worden afgevoerd naar de vernietiging, is wat er wordt bedoeld met de ketenen der hel,
Alma 12:11. De goddelozen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis tot de tijd van hun opstanding,
Alma 40:13–14. Voor wie vuil zijn, zou het ellendiger zijn om bij God te wonen dan in de hel,
Mrm. 9:4. De straf die uitgaat van mijn hand is oneindige straf,
LV 19:10–12. De hel is een plaats die voor de duivel en zijn engelen is bereid,
LV 29:37–38. Wie God belijden, worden bevrijd van de dood en de ketenen der hel,
LV 138:23.