De toestemming verleend aan mensen op aarde die worden geroepen of geordend om te handelen voor en in de naam van God de Vader of Jezus Christus bij het verrichten van Gods werk.
Ik heb u gezonden,
Ex. 3:12–15. Zeg alles wat Ik u gebied,
Ex. 7:2. Hij gaf de twaalf discipelen macht,
Matt. 10:1. Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen,
Joh. 15:16. Nephi en Lehi predikten met groot gezag,
Hel. 5:18. Nephi, de zoon van Helaman, was een man Gods, met veel macht en gezag die hem door God waren gegeven,
Hel. 11:18 (
3 Ne. 7:17). Jezus gaf de twaalf Nephieten macht,
3 Ne. 12:1–2. Joseph Smith van Godswege geroepen en geordend,
LV 20:2. Niemand zal mijn evangelie prediken of mijn kerk opbouwen tenzij hij is geordend en het de kerk bekend is dat hij dat gezag bezit,
LV 42:11. De ouderlingen moeten het evangelie verkondigen en handelen volgens het gezag dat hun is gegeven,
LV 68:8. De Melchizedekse priesterschap heeft het gezag om in geestelijke zaken te handelen,
LV 107:8, 18–19. Wat door goddelijk gezag wordt gedaan, wordt wet,
LV 128:9. Wie het evangelie predikt of de verordeningen ervan bedient, moet van Godswege worden geroepen door hen die daartoe het gezag bezitten,
Art. 1:5.