De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken     Volgende >
ONDERWERPEN OP ALFABET
Echtbreuk
De onwettige seksuele betrekking tussen een man en een vrouw. Hoewel echtbreuk gewoonlijk slaat op gemeenschap tussen een getrouwde man of vrouw met iemand anders dan zijn of haar echtgenoot, kan het woord in de Schriften ook wel slaan op ongehuwden.
Soms wordt echtbreuk symbolisch gebruikt voor de afvalligheid van een natie of volk van de wegen van de Heer (Num. 25:1–3; Ez. 16:15–59; Jer. 3:6–10; Hos. 4).
Jozef wilde dat grote kwaad niet doen en daardoor zondigen tegen God, Gen. 39:7–12. Gij zult niet echtbreken, Ex. 20:14. Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart echtbreuk gepleegd, Matt. 5:28. Hoereerders noch overspelers zullen het koninkrijk van God beërven, 1 Kor. 6:9–10. God zal hoereerders en echtbrekers oordelen, Hebr. 13:4. Echtbreuk is gruwelijker dan alle zonden behalve het vergieten van onschuldig bloed en het verloochenen van de Heilige Geest, Alma 39:3–5. Wie echtbreuk pleegt en zich niet bekeert, moet worden uitgeworpen, LV 42:23–26. Wie in hun hart overspel plegen, zullen de Geest niet hebben, LV 63:14–16.