In de Schriften worden deze termen op twee manieren gebruikt. Enerzijds zijn wij allen letterlijk geestkinderen van onze hemelse Vader. Anderzijds duidt zonen en dochters van God op allen die wedergeboren zijn door de verzoening van Jezus Christus.
Geestkinderen van de Vader: Gij zijt goden, ja, allen zonen des Allerhoogsten,
Ps. 82:6. Wij zijn van Gods geslacht,
Hand. 17:29. Wees onderworpen aan de Vader der geesten,
Hebr. 12:9. Ik ben een zoon van God,
Moz. 1:13.
Kinderen wedergeboren door de verzoening: Doch allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden,
Joh. 1:12 (Rom. 8:14;
3 Ne. 9:17;
LV 11:30). Nu zijn wij kinderen Gods,
1 Joh. 3:1–2. Gij zult de kinderen van Christus worden genoemd, zijn zonen en zijn dochters,
Mos. 5:7. Het gehele mensdom moet worden wedergeboren, waardoor zij zijn zonen en dochters worden,
Mos. 27:25. Zij zullen mijn zonen en mijn dochters worden,
Ether 3:14. Gij zult zeker een kind van Christus worden,
Mro. 7:19. Allen die mijn evangelie aanvaarden, zijn zonen en dochters,
LV 25:1. Het zijn goden, ja, zonen van God,
LV 76:58. Aldus kunnen allen mijn zonen worden,
Moz. 6:68. Velen hebben geloofd en zijn de zonen Gods geworden,
Moz. 7:1.