|
ONDERWERPEN OP ALFABET
Ziener
Iemand die van God het recht heeft ontvangen om met zijn geestelijke ogen dingen te zien die God voor de wereld verborgen houdt ( Moz. 6:35–38). Een ziener is een openbaarder en een profeet ( Mos. 8:13–16). Ammon, uit het Boek van Mormon, leerde dat alleen een ziener in staat was om speciale uitleggers, ofwel een Urim en Tummim, te gebruiken ( Mos. 8:13; 28:16). Een ziener kent het verleden, het heden en de toekomst. Vroeger werd een profeet dikwijls ziener genoemd (1 Sam. 9:9; 2 Sam. 24:11).
Joseph Smith is de grote ziener van de laatste dagen ( LV 21:1; 135:3). Ook het Eerste Presidium en de Raad der Twaalf worden gesteund als profeet, ziener en openbaarder.
Het is een weerspannig volk dat tot de zieners zegt: Gij zult niet zien; en tot de schouwers: Gij zult voor ons de waarheid niet schouwen, Jes. 30:9–10. Een uitgelezen ziener zal Ik uit de vrucht van uw lendenen doen opstaan, 2 Ne. 3:6–15. Hier is wijsheid; ja, ziener, openbaarder, vertaler en profeet te zijn, LV 107:92. De Heer wijst Hyrum Smith aan als profeet, ziener en openbaarder voor de kerk, LV 124:91–94.
|