Iemand goddelijke gunst verlenen. Alles wat bijdraagt tot iemands ware geluk, welzijn of voorspoed is een zegen(ing).
Algemeen: Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen,
Gen. 12:2–3 (
1 Ne. 15:18;
Abr. 2:9–11). Zegeningen rusten op het hoofd van de rechtvaardigen,
Spr. 10:6. Een betrouwbaar man heeft veel zegen,
Spr. 28:20. De Heer zal de vensters van de hemel openen en zegen over u uitgieten,
Mal. 3:10 (
3 Ne. 24:10). De zaligsprekingen beloven zegeningen,
Matt. 5:1–12 (
3 Ne. 12:1–12). Gezegend zijn zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams,
Op. 19:9. Wie rechtvaardig is, staat bij God in de gunst,
1 Ne. 17:35 (
Mos. 10:13). Indien gij luistert, laat ik u een zegen,
2 Ne. 1:28. Ik laat u dezelfde zegen,
2 Ne. 4:9. Hij zegent u onmiddellijk,
Mos. 2:24. De Heer zegent hen die hun vertrouwen in Hem stellen en maakt hen voorspoedig,
Hel. 12:1. Werk eraan mee mijn werk voort te brengen en Ik zal u zegenen,
LV 6:9. Bid altijd en groot zal uw zegen zijn,
LV 19:38. Laat u dopen en u zult mijn Geest ontvangen en een zegen zo groot als u nog nooit hebt gekend,
LV 39:10. Na veel beproeving komen de zegeningen,
LV 58:4. De mensen gehoorzamen niet; Ik herroep en zij ontvangen de zegening niet,
LV 58:32. U hebt niet begrepen welke grote zegeningen de Vader voor u heeft bereid,
LV 78:17. De bediening van verordeningen en zegens aan de kerk komt van de hoge priesterschap,
LV 107:65–67. Elke zegening vloeit voort uit een wet,
LV 130:20. Allen die een zegening uit mijn hand willen verkrijgen, moeten zich houden aan de wet,
LV 132:5. Zegeningen zijn voorbehouden aan hen die de Heer liefhebben,
LV 138:52. Abraham streefde naar de zegeningen van de vaderen en het recht om die te bedienen,
Abr. 1:2.