Cherubs met een flikkerend zwaard bewaken de weg tot de boom des levens,
Gen. 3:24 (
Alma 12:21–23;
42:2–6). Johannes zag het geboomte des levens, waarvan de bladeren de volken konden genezen,
Op. 22:2. Lehi zag de boom des levens,
1 Ne. 8:10–35. Nephi zag de boom die zijn vader ook had gezien,
1 Ne. 11:8–9. De ijzeren roede voert naar de boom des levens,
1 Ne. 11:25 (
1 Ne. 15:22–24). Een verschrikkelijke afgrond scheidt de goddelozen van de boom des levens,
1 Ne. 15:28, 36. Er moest wel een verboden vrucht zijn in tegenstelling tot de boom des levens,
2 Ne. 2:15. Komt tot Mij en neemt van de vrucht van de boom des levens,
Alma 5:34, 62. Indien onze eerste ouders hadden genomen van de boom des levens, zouden zij voor eeuwig ellendig zijn geweest,
Alma 12:26. Indien gij het woord niet verzorgt, zult gij de vrucht van de boom des levens nooit kunnen plukken,
Alma 32:40. De Heer plantte de boom des levens in het midden van de hof,
Moz. 3:9 (
Abr. 5:9). God zond Adam weg uit Eden om te voorkomen dat hij van de boom des levens zou eten en voor altijd zou leven,
Moz. 4:28–31.