De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
ONDERWERPEN OP ALFABET
Boom Des Levens
Zie ook Eden
Een boom in de hof van Eden, het paradijs van God (Gen. 2:9; Op. 2:7). In Lehi’s droom vertegenwoordigt de boom des levens de liefde van God die de grootste van al Gods gaven wordt genoemd (1 Ne. 8; 11:21–22, 25; 15:36).
Cherubs met een flikkerend zwaard bewaken de weg tot de boom des levens, Gen. 3:24 (Alma 12:21–23; 42:2–6). Johannes zag het geboomte des levens, waarvan de bladeren de volken konden genezen, Op. 22:2. Lehi zag de boom des levens, 1 Ne. 8:10–35. Nephi zag de boom die zijn vader ook had gezien, 1 Ne. 11:8–9. De ijzeren roede voert naar de boom des levens, 1 Ne. 11:25 (1 Ne. 15:22–24). Een verschrikkelijke afgrond scheidt de goddelozen van de boom des levens, 1 Ne. 15:28, 36. Er moest wel een verboden vrucht zijn in tegenstelling tot de boom des levens, 2 Ne. 2:15. Komt tot Mij en neemt van de vrucht van de boom des levens, Alma 5:34, 62. Indien onze eerste ouders hadden genomen van de boom des levens, zouden zij voor eeuwig ellendig zijn geweest, Alma 12:26. Indien gij het woord niet verzorgt, zult gij de vrucht van de boom des levens nooit kunnen plukken, Alma 32:40. De Heer plantte de boom des levens in het midden van de hof, Moz. 3:9 (Abr. 5:9). God zond Adam weg uit Eden om te voorkomen dat hij van de boom des levens zou eten en voor altijd zou leven, Moz. 4:28–31.