De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
ONDERWERPEN OP ALFABET
Belijden, Belijdenis
Het woord belijden wordt in de Schriften op minstens twee manieren gebruikt. Eén betekenis is openlijk voor een geloofsovertuiging uitkomen, zoals belijden dat Jezus de Christus is (Matt. 10:32; Rom. 10:9; 1 Joh. 4:1–3; LV 88:104);
Een andere betekenis is schuld of zonden belijden. Alle mensen moeten al hun zonden aan de Heer belijden en zijn vergeving verkrijgen (LV 58:42–43). Zo nodig moeten zonden worden beleden aan de persoon of personen tegen wie de zonde is bedreven. Ernstige zonden moeten worden beleden aan een kerkfunctionaris (in de meeste gevallen de bisschop).
Hij zal belijden waarin hij gezondigd heeft, Lev. 5:5. Zij moeten hun ongerechtigheid belijden, Lev. 26:40–42. Geef toch eer aan de Here, de God van Israël, en doe voor Hem belijdenis, Jozua 7:19. De mensen lieten zich in de Jordaan dopen, onder belijdenis van hun zonden, Matt. 3:5–6. De overtreder die zijn zonden belijdt, zal vergeving ontvangen, Mos. 26:29. Belijd uw zonden om de straffen niet te hoeven ondergaan, LV 19:20. Wie zich bekeert, zal zijn zonden belijden en verzaken, LV 58:43. De Heer is barmhartig jegens hen die hun zonden met een ootmoedig hart belijden, LV 61:2. De Heer vergeeft de zonden van hen die ze belijden en vergeving vragen, LV 64:7.