De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
ONDERWERPEN OP ALFABET
Patriarch, patriarchaal
In de Schriften wordt op twee manieren melding gemaakt van een patriarch: (1) een ambt in het Melchizedeks priesterschap, ook wel aangeduid als evangelist; (2) de vader van een familie of stam. Een geordende patriarch geeft een bijzondere zegen aan getrouwe leden van de kerk.
Geordende patriarchen: Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders, Ef. 4:11 (Art. 1:6). Het is de plicht van de Twaalf evangelisten te ordenen, LV 107:39. Hyrum zal het priesterschapsambt van patriarch op zich nemen, LV 124:91–92, 124; 135:1.
Vaders: Jakob zegent zijn zonen en hun nakomelingen, Gen. 49:11–28. Men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David dat hij én gestorven én begraven is, Hand. 2:29. Lehi geeft zijn nageslacht raad en zegent het, 2 Ne. 4:3–11. Ik werd rechtvaardig erfgenaam, die het recht bezat dat de vaders toebehoorde, Abr. 1:2–4.