Gezag of een ambt verlenen. Om met gezag te kunnen handelen in de kerk van de Heer moet iemand van Godswege geroepen worden, door profetie, en door handoplegging van hen die daartoe het gezag bezitten (
Art. 1:5). Hoewel iemand door ordening gezag kan ontvangen, gebruikt hij het op aanwijzing van hen die de betreffende sleutels van dat gezag bezitten.
Tot een profeet voor de volkeren heb Ik u geordend,
Jer. 1:5. Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u geordend,
Joh. 15:16. Hebbende het gezag van God, ordende Alma priesters,
Mos. 18:18. Mannen worden met een heilige ordening tot het hoge priesterschap geordend,
Alma 13:1–9. Jezus roept en ordent twaalf discipelen,
3 Ne. 12:1. Ouderlingen ordenen priesters en leraren door handoplegging,
Mro. 3:1–4. Wacht nog een korte tijd, want gij zijt nog niet geordend,
LV 5:17. Joseph Smith is geordend tot apostel van Jezus Christus,
LV 20:2 (
LV 27:12). Niemand mag worden geordend zonder de stem van de kerk,
LV 20:65. Het zal niemand worden opgedragen om mijn evangelie te prediken, tenzij hij is geordend door iemand die het gezag daartoe bezit,
LV 42:11. Ouderlingen worden geordend om mijn evangelie te prediken,
LV 50:13–18. Het is de plicht van de Twaalf alle andere ambtsdragers van de kerk te ordenen en te organiseren,
LV 107:58. Ik streefde naar de zegeningen van de vaderen en naar het recht waartoe ik moest worden geordend,
Abr. 1:2. Joseph Smith en Oliver Cowdery ordenen elkaar tot het Aäronisch priesterschap,
GJS 1:68–72.