De hereniging na de dood van het geestelijke lichaam met het fysieke lichaam van vlees en beenderen. Na de opstanding zullen geest en lichaam nooit meer gescheiden worden en zal de persoon onsterfelijk zijn. Omdat Jezus Christus de dood heeft overwonnen, zal iedereen die op aarde is geboren opstaan uit de doden (1 Kor. 15:20–22).
Al wordt dit lichaam vernietigd, toch zal ik in het vlees God aanschouwen,
Job 19:26 (
Moz. 5:10). Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen,
Ez. 37:12. De graven gingen open en vele lichamen werden opgewekt,
Matt. 27:52–53 (
3 Ne. 23:9). De Heer is opgewekt,
Luc. 24:34. Een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb,
Luc. 24:39. Ik ben de opstanding en het leven,
Joh. 11:25. De twaalf apostelen leerden dat Jezus was opgestaan,
Hand. 1:21–22 (Hand. 2:32; 3:15; 4:33). In Christus zullen allen levend gemaakt worden,
1 Kor. 15:1–22. Die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan,
1 Tess. 4:16. Gezegend en heilig is hij die deel heeft aan de eerste opstanding,
Op. 20:6. Christus legt zijn leven af en neemt het wederom op om de opstanding der doden teweeg te brengen,
2 Ne. 2:8 (
Mos. 13:35;
15:20;
Alma 33:22;
40:3;
Hel. 14:15). Zonder de opstanding zouden wij onderworpen zijn aan Satan,
2 Ne. 9:6–9. Alle mensen zullen de opstanding deelachtig worden,
2 Ne. 9:22. Abinadi sprak over de eerste opstanding,
Mos. 15:21–26. De goddelozen blijven alsof er geen verlossing was teweeggebracht, uitgezonderd de verbreking van de banden des doods,
Alma 11:41–45. Alma zet de staat van de zielen tussen de dood en de opstanding uiteen,
Alma 40:6, 11–24. Bij de komst van de Heer zullen de doden die in Christus zijn gestorven, tevoorschijn komen,
LV 29:13 (
LV 45:45–46;
88:97–98;
133:56). Beween in het bijzonder hen die geen hoop op een heerlijke opstanding hebben,
LV 42:45. Wie geen wet hebben gekend, zullen deelhebben aan de eerste opstanding,
LV 45:54. Zij zullen uit de doden opstaan en niet meer sterven,
LV 63:49. De opstanding uit de doden is de verlossing van de ziel,
LV 88:14–16. Geest en element, onscheidbaar verbonden, ontvangen een volheid van vreugde,
LV 93:33. Engelen die herrezen personen zijn, hebben een lichaam van vlees en beenderen,
LV 129:1. Welk grondbeginsel van intelligentie wij verwerven in dit leven, in de opstanding zal het met ons herrijzen,
LV 130:18–19.