|
ONDERWERPEN OP ALFABET
Offer, Offerande, Offeren
Offeren heeft in de Schriften twee betekenissen: (1) Een gave aan de Heer, (2) Wereldlijke zaken opgeven of het verlies daarvan verdragen voor de Heer en zijn koninkrijk.
Een gave aan de Heer: In het Oude Testament duidt het woord op slacht- of brandoffers. In deze tijd gebruikt de kerk gaven aan de Heer, in de vorm van vastengaven en andere vrijwillige offers (waaronder tijd, talenten en bezittingen), om de armen bij te staan en voor andere goede doelen.
Gij hebt Mij beroofd in de tienden en de heffing, Mal. 3:8–10. Verzoen u eerst met uw broeder en offer daarna uw gave, Matt. 5:23–24. Bied Christus uw gehele ziel als offerande aan, Omni 1:26. Als iemand een gave offert zonder een oprechte bedoeling, baat het hem niets, Mro. 7:6. De sleutels van het priesterschap zullen nimmermeer worden weggenomen, totdat de zonen van Levi de Heer weer een offerande brengen in gerechtigheid, LV 13:1. Op die dag, de dag des Heren, moet u uw offers en uw heilige handelingen aan de Heer opdragen, LV 59:12. Laten wij als kerk en als volk de Heer in gerechtigheid een offer brengen, LV 128:24.
Wereldlijke zaken opgeven of het verlies daarvan verdragen voor de Heer en zijn koninkrijk: In vroegere tijden betekende offeren iets of iemand heiligen. Inmiddels is het gaan betekenen wereldlijke zaken opgeven of het verlies daarvan verdragen voor de Heer en voor zijn koninkrijk. De leden van de kerk van de Heer behoren bereid te zijn om alles voor Hem op te offeren. Joseph Smith leerde de mensen dat ‘een godsdienst die niet vergt dat men alles opoffert, (...) nooit krachtig genoeg kan zijn om voldoende geloof te ontwikkelen voor het leven en het eeuwig heil.’ In het eeuwige perspectief zijn de zegeningen die door opofferingen worden verkregen altijd groter dan het gebrachte offer.
Toen Adam en Eva uit de hof van Eden waren verdreven, gaf de Heer hun de wet van offerande. Deze wet omvatte het offer van de eerstelingen van hun kudden. Dat offer was een zinnebeeld van het offer dat zou worden gebracht door de eniggeboren Zoon van God ( Moz. 5:4–8). Het brengen van offers ging door tot de dood van Jezus Christus, waarmee er een eind kwam aan het offeren van dieren als evangelieverordening ( Alma 34:13–14). In deze tijd nemen de leden van de kerk bij het avondmaal van het brood en het water ter gedachtenis van het offer van Jezus Christus. Er wordt hun bovendien gevraagd het offer te brengen van een gebroken hart en een verslagen geest ( 3 Ne. 9:19–22), wat inhoudt dat zij ootmoedig en boetvaardig zijn, en bereid Gods geboden te bewaren.
Abraham bond zijn zoon Isaak en legde hem op het altaar, Gen. 22:1–18 ( Jakob 4:5). Gij zult uw brandoffers offeren, Ex. 20:24. Alleen gave dieren mogen geofferd worden, Deut. 15:19–21. Gehoorzamen is beter dan slachtoffers, 1 Sam. 15:22. Liefhebben is meer dan alle brandoffers en slachtoffers, Marc. 12:32–33. Wij zijn geheiligd door het offer van Jezus Christus, Hebr. 10:10–14. Christus gaf Zichzelf als offer voor de zonde, 2 Ne. 2:6–7. Het grote en laatste offer zal de Zoon van God zijn, ja, oneindig en eeuwig, Alma 34:8–14. Breng geen brandoffers meer; breng God het offer van een gebroken hart en een verslagen geest, 3 Ne. 9:19–20 (Ps. 51:16–17; LV 59:8). Het is heden een dag van opoffering, LV 64:23 ( LV 97:12). De Heer neemt allen aan die gewillig zijn hun verbonden na te komen door te offeren, LV 97:8. Joseph F. Smith zag de geesten der rechtvaardigen die offers hadden gebracht naar de gelijkenis van het grote offer van de Zoon van God, LV 138:13. De verlossing is tot stand gebracht door middel van het offer van de Zoon van God aan het kruis, LV 138:35.
|