Een Aramees en Hebreeuws woord dat ‘de gezalfde’ betekent. In het Nieuwe Testament wordt Jezus de Christus genoemd, hetgeen het Griekse woord voor Messias is. Het duidt op de gezalfde profeet, priester, koning en verlosser, naar wiens komst de Joden reikhalzend uitkeken.
Veel Joden keken alleen uit naar iemand die hen zou bevrijden van de Romeinen en grotere nationale welvaart zou brengen. Vandaar dat de Messias, toen Hij kwam, door de leiders en vele anderen werd verworpen. Alleen de nederigen en getrouwen waren in staat in Jezus van Nazaret de ware Christus te zien (Jes. 53; Matt. 16:16; Joh. 4:25–26).
De Messias zal vervuld zijn van de Geest, het evangelie verkondigen en vrijlating uitroepen,
Jes. 61:1–3 (Luc. 4:18–21). Wij hebben gevonden de Messias, wat betekent: de Christus,
Joh. 1:42 (Joh. 4:25–26). God zou onder de Joden een Messias doen opstaan, of met andere woorden, een Heiland,
1 Ne. 10:4. De Zoon van God was de Messias die komen zou,
1 Ne. 10:17. Verlossing komt in en door de Heilige Messias,
2 Ne. 2:6. De Messias komt in de volheid der tijden,
2 Ne. 2:26. De Messias zal uit de doden opstaan,
2 Ne. 25:14. In de naam van de Messias verleen ik het priesterschap van Aäron,
LV 13:1. De Heer zegt: Ik ben de Messias, de Koning van Zion,
Moz. 7:53.