Een georganiseerde groep gelovigen die de naam van Jezus Christus op zich heeft genomen door de doop en de bevestiging. Om de ware kerk te zijn, moet zij de kerk van de Heer zijn, moet zij zijn gezag, leringen, wetten en verordeningen hebben en zijn naam dragen. Christus zelf moet haar besturen door middel van vertegenwoordigers die Hij heeft aangewezen.
En de Heer voegde dagelijks toe aan de kerk,
Hand. 2:47. Wij zijn, hoewel velen, één lichaam in Christus,
Rom. 12:5. Door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt,
1 Kor. 12:13. De kerk is gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten,
Ef. 2:19–20. Apostelen en profeten zijn onmisbaar voor de kerk,
Ef. 4:11–16. Christus is het hoofd van de kerk,
Ef. 5:23. Hoewel er vele kerken waren, waren zij alle één kerk,
Mos. 25:19–22. De kerk werd gereinigd en op orde gebracht,
Alma 6:1–6. De kerk van Christus moet zijn naam dragen,
3 Ne. 27:8. De leden kwamen dikwijls tezamen om te vasten en te bidden en met elkaar te spreken,
Mro. 6:5. Dit is de enige ware en levende kerk,
LV 1:30. Het ontstaan van de kerk van Christus in deze laatste dagen,
LV 20:1. De Heer roept zijn dienstknechten om zijn kerk op te bouwen,
LV 39:13. Want zo zal mijn kerk in de laatste dagen heten,
LV 115:4.