Het vermogen en voorrecht dat God de mensen geeft om te kiezen en zelfstandig te handelen.
Van alle bomen moogt gij vrij eten,
Gen. 2:16. De mens kon niet zelfstandig handelen als hij niet werd verlokt,
2 Ne. 2:15–16. De mens vrij om vrijheid en eeuwig leven te kiezen of gevangenschap en dood,
2 Ne. 2:27. Gij zijt vrij; het wordt u toegestaan zelfstandig te handelen,
Hel. 14:30. Een derde deel van de hemelse menigten keerde hij van de Heer af, wegens hun keuzevrijheid,
LV 29:36. De duivel moet de mensenkinderen wel verzoeken, anders zouden zij niet naar eigen believen kunnen handelen,
LV 29:39. Laat eenieder voor zichzelf kiezen,
LV 37:4. Opdat eenieder zal handelen volgens de keuzevrijheid die Ik hem heb gegeven,
LV 101:78. Satan trachtte de keuzevrijheid van de mens teniet te doen,
Moz. 4:3. De Heer gaf de mens zijn keuzevrijheid,
Moz. 7:32.