De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
ONDERWERPEN OP ALFABET
Jaloers, jaloersheid
Zie ook Afgunst
Zoals het in de Schriften wordt toegepast, heeft het woord jaloers twee betekenissen: (1) fervente, diepgaande gevoelens koesteren met betrekking tot iemand of iets, en (2) jegens iemand afgunst koesteren of wantrouwen dat de ander een of ander voordeel zal behalen.
Fervente gevoelens hebben: Ik, de Heer, ben een naijverig God, Ex. 20:5 (Deut. 5:9; 6:15; Mos. 11:22). Ik zal ijveren voor mijn heilige naam, Ez. 39:25. Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand, Zach. 1:14.
Afgunst of wantrouwen koesteren: Want jaloersheid is vuurgloed in een man, Spr. 6:32–35. Akish begon jaloers te worden op zijn zoon, Ether 9:7. Ontdoe u van afgunst en vrees, LV 67:10.