|
ONDERWERPEN OP ALFABET
Jezus Christus
Christus (uit het Grieks) en Messias (uit het Hebreeuws) betekenen allebei ‘de gezalfde’. Jezus Christus is de Eerstgeborene van de geestkinderen van de Vader (Hebr. 1:6; LV 93:21). Hij is de Eniggeborene des Vaders in het vlees (Joh. 1:14; 3:16). Hij is Jehova en was geordend tot zijn grote roeping voordat de wereld geschapen was ( LV 110:3–4). In opdracht van de Vader heeft Jezus de aarde en alles wat zich daarop bevindt geschapen (Joh. 1:3, 14; Moz. 1:31–33). Hij is geboren uit Maria in Betlehem, leidde een zondeloos leven en bracht een volmaakte verzoening tot stand voor de zonden van de gehele mensheid door zijn bloed te vergieten en zijn leven aan het kruis te geven (Matt. 2:1; 1 Ne. 11:13–33; 3 Ne. 27:13–16; LV 76:40–42.). Hij is uit de doden opgestaan, waarmee Hij de uiteindelijke opstanding van alle mensen zeker heeft gesteld. Dankzij Jezus’ verzoening en opstanding kunnen allen die zich van hun zonden bekeren en Gods geboden nakomen voor eeuwig bij Jezus en de Vader wonen ( 2 Ne. 9:10–12; 21–22; LV 76:50–53, 62).
Jezus Christus is de grootste van allen die ooit op deze aarde geboren zijn. Zijn leven is het volmaakte voorbeeld van de manier waarop alle mensen hun leven behoren te leiden. Alle gebeden, zegens en priesterschapsverordeningen moeten in zijn naam worden verricht. Hij is de Heer der heren, de Koning der koningen, de Schepper, de Heiland en de God van de gehele aarde.
Jezus Christus zal terugkomen in macht en heerlijkheid om tijdens het millennium op aarde te regeren. Op de laatste dag zal Hij alle mensen oordelen ( Alma 11:40–41; MJS 1).
Samenvatting van zijn leven (in chronologische volgorde): Jezus’ geboorte en zending voorzegd, Luc. 1:26–38 (Jes. 7:14; 9:5–6; 1 Ne. 11). Geboorte van Jezus, Luc. 2:1–7 (Matt. 1:18–25). Zijn besnijdenis, Luc. 2:21. Zijn voorstelling in de tempel, Luc. 2:22–38. Het bezoek van de wijzen, Matt. 2:1–12. De vlucht naar Egypte, Matt. 2:13–18. De terugkeer naar Nazaret, Matt. 2:19–23. Met 12 jaar in de tempel, Luc. 2:41–50. Had broeders en zusters, Matt. 13:55–56 (Marc. 6:3). Zijn doop, Matt. 3:13–17 (Marc. 1:9–11; Luc. 3:21–22). Door de duivel verzocht, Matt. 4:1–11 (Marc. 1:12–13; Luc. 4:1–13). Roept zijn discipelen, Matt. 4:18–22 (Matt. 9:9; Marc. 1:16–20; 2:13–14; Luc. 5:1–11, 27–28; 6:12–16; Joh. 1:35–52). Roeping en uitzending van de Twaalf, Matt. 10:1–4 (Marc. 3:13–19; Luc. 6:12–16). De bergrede, Matt. 5–7. Voorzegt zijn eigen dood en opstanding, Matt. 16:21 (Matt. 17:22–23; 20:17–19; Marc. 8:31; 9:30–32; 10:32–34; Luc. 9:22; 18:31–34). De verheerlijking (gedaanteverandering), Matt. 17:1–9 (Marc. 9:2–8; Luc. 9:28–36). De uitzending van de zeventig, Luc. 10:1–20. De intocht in Jeruzalem, Matt. 21:1–11 (Marc. 11:1–11; Luc. 19:29–40; Joh. 12:12–15). De instelling van het avondmaal, Matt. 26:26–29 (Marc. 14:22–25; Luc. 22:19–20). Lijdt en bidt in Getsemane, Matt. 26:36–46 (Marc. 14:32–42; Luc. 22:39–46). Wordt verraden, aangehouden en verlaten, Matt. 26:47–56 (Marc. 14:43–53; Luc. 22:47–54; Joh. 18:2–13). De kruisiging, Matt. 27:31–54 (Marc. 15:20–41; Luc. 23:26–28, 32–49; Joh. 19:16–30). De opstanding, Matt. 28:1–8 (Marc. 16:1–8; Luc. 24:1–12; Joh. 20:1–10). Verschijnt na zijn opstanding, Matt. 28:9–20 (Marc. 16:9–18; Luc. 24:13–48; Joh. 20:11–31; Hand. 1:3–8; 1 Kor. 15:5–8). De hemelvaart, Marc. 16:19–20 (Luc. 24:51–53; Hand. 1:9–12). Verschijnt aan de Nephieten, 3 Ne. 11:1–17 ( 3 Ne. 11–26). Verschijnt aan Joseph Smith, GJS 1:15–20.
Christus’ heerschappij in het millennium: De heerschappij rust op zijn schouder, Jes. 9:5 ( 2 Ne. 19:6). Ik zal in uw midden wonen, zegt de Heer, Zach. 2:10–12 (Zach. 14:9). God zal Jezus de troon van zijn vader David geven, Luc. 1:30–33. Christus zal heersen tot in alle eeuwigheden, Op. 11:15. De heiligen zullen duizend jaren lang met Christus heersen, Op. 20:4 ( LV 76:63). Wegens de rechtvaardigheid van het volk zal Satan geen macht hebben, 1 Ne. 22:26 (Op. 20:1–3). Christus zal duizend jaar in gerechtigheid bij de mensen wonen, LV 29:11 ( LV 43:29–30). Onderwerp u aan het bestaande gezag totdat Hij regeert die daartoe het recht heeft, LV 58:22 (1 Kor. 15:25). Christus zal persoonlijk op aarde regeren, Art. 1:10 (Jes. 32:1).
De heerlijkheid van Jezus Christus: De heerlijkheid des Heren vervulde de tabernakel, Ex. 40:34–38. De ganse aarde is vol van zijn heerlijkheid, Jes. 6:3 ( 2 Ne. 16:3). De heerlijkheid des Heren gaat over u op, Jes. 60:1–2. De Zoon des Mensen zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader, Matt. 16:27. Verheerlijk Mij met de heerlijkheid die Ik bij U had eer de wereld was, Joh. 17:5. De Heilige Israëls moet regeren met grote heerlijkheid, 1 Ne. 22:24. Wij hoopten op zijn heerlijkheid, Jakob 4:4. De Zoon van God komt in zijn heerlijkheid, Alma 5:50. Hij legde alles uit, vanaf het begin tot de tijd dat Hij in zijn heerlijkheid zal komen, 3 Ne. 26:3. Mijn apostelen zullen, evenals Ik, in heerlijkheid gekleed zijn, LV 29:12 ( LV 45:44). Wij aanschouwden de heerlijkheid van de Zoon ter rechterhand van de Vader, LV 76:19–23. Johannes zag en getuigde van de volheid van mijn heerlijkheid, LV 93:6 (Joh. 1:14). Zijn gelaat straalde nog helderder dan de zon, LV 110:3. Zijn heerlijkheid rustte op mij en ik zag zijn aangezicht, Moz. 1:1–11. Dit is mijn werk en mijn heerlijkheid, Moz. 1:39.
De naam van Jezus Christus op ons nemen: Er is geen andere naam waardoor wij moeten behouden worden , Hand. 4:12 ( 2 Ne. 31:21). De apostelen verblijd dat zij verwaardigd waren ter wille van zijn naam smadelijk behandeld te worden, Hand. 5:38–42. Dit is zijn gebod: dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus, 1 Joh. 3:23. Getuig dat u gewillig bent de naam van Christus op u te nemen door de doop, 2 Ne. 31:13. Ik wil dat gij de naam van Christus op u neemt, Mos. 5:6–12 ( Mos. 1:11). Wie ook verlangde de naam van Christus op zich te nemen, sloot zich aan bij de kerk van God, Mos. 25:23. Allen die oprecht in Christus geloofden, namen de naam van Christus op zich, Alma 46:15. De poort des hemels staat open voor hen die geloven in de naam van Jezus Christus, Hel. 3:28. Gezegend is hij die op de laatste dag getrouw aan mijn naam wordt bevonden, Ether 4:19. Zij zijn bereid de naam van de Zoon op zich te nemen, Mro. 4:3 ( LV 20:77). Neem de naam van Christus op u, LV 18:21–25.
Getuigenissen gegeven van Jezus Christus: Paulus getuigt dat Jezus de Christus is, Hand. 18:5. Zelfs de boze geest getuigde dat hij Jezus kende, Hand. 19:15. Niemand kan zeggen: Jezus is de Heer, dan door de Heilige Geest. 1 Kor. 12:3. Iedere knie zal zich buigen en iedere tong zal belijden dat Jezus Christus de Heer is, Fil. 2:10–11. Wij spreken over Christus, wij verheugen ons in Christus, wij prediken Christus, wij profeteren over Christus, 2 Ne. 25:26. Het Boek van Mormon heeft als doel de Joden en de andere volken ervan te overtuigen dat Jezus de Christus is, 2 Ne. 26:12 (Boek van Mormon, titelblad). De profeten en de Schriften getuigen van Christus, Jakob 7:11, 19. Zoek deze Jezus, over wie de profeten en de apostelen hebben geschreven, Ether 12:41. Wij zagen Hem en hoorden de stem getuigen dat Hij de Eniggeborene is, LV 76:20–24. Dit is eeuwige levens: God en Jezus Christus te kennen, LV 132:24. Wij geloven in God, de eeuwige Vader, en in zijn Zoon, Jezus Christus, Art. 1:1. Wij geloven dat Christus persoonlijk op aarde zal regeren, Art. 1:10.
Gezag: De heerschappij rust op zijn schouder, Jes. 9:5 ( 2 Ne. 19:6). Hij leerde hun als gezaghebbende, Matt. 7:28–29 (Marc. 1:22). De Zoon des Mensen heeft macht om op aarde zonden te vergeven, Matt. 9:6. Jezus gebiedt de onreine geesten met gezag en zij gehoorzamen Hem, Marc. 1:27 (Luc. 4:33–36). Jezus ordent de Twaalf zodat zij macht hebben, Marc. 3:14–15. Jezus’ woord was met gezag, Luc. 4:32. De Vader heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, Joh. 5:22, 27. God heeft Jezus met de Heilige Geest en met kracht gezalfd, Hand. 10:38. Christus geordend vóór de grondlegging van de wereld, 1 Pet. 1:20 ( Ether 3:14). Christus bezit de sleutels van de hel en van de dood, Op. 1:18. Alle mensen zullen aan Christus onderworpen worden, 2 Ne. 9:5. Jezus Christus, de Zoon van God, is de Vader van hemel en aarde, de Schepper van alle dingen vanaf het begin, Hel. 14:12. Christus is volgens de wil van de Vader gekomen om zijn wil te doen, LV 19:24. Jezus heeft een volheid uit de heerlijkheid van de Vader ontvangen, en Hij heeft alle macht ontvangen, LV 93:3–4, 16–17 (Joh. 3:35–36).
Het voorbeeld van Jezus Christus: Ik heb u een voorbeeld gegeven, Joh. 13:15. Ik ben de weg en de waarheid en het leven, Joh. 14:6. Christus heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten, opdat u in zijn voetstappen zou treden, 1 Pet. 2:21. Tenzij een mens het voorbeeld van de Zoon van de levende God volgt, kan hij niet worden gered, 2 Ne. 31:16. Ik wil dat gij volmaakt zijt zoals Ik, 3 Ne. 12:48. Dit zult gij altijd nauwgezet doen, zoals Ik heb gedaan, 3 Ne. 18:6. Ik heb u een voorbeeld gegeven, 3 Ne. 18:16. De werken die gij Mij hebt zien doen, die zult gij eveneens doen, 3 Ne. 27:21, 27. Ware volgelingen van Jezus Christus zullen zijn zoals Hij, Mro. 7:48.
Hoofd van de kerk: Christus is het hoofd van de kerk, Ef. 5:23 (Ef. 1:22; 4:15). Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk, Kol. 1:18. Dit is mijn kerk, Mos. 26:22 ( Mos. 27:13). Christus was de bron en voleinder van hun geloof, Mro. 6:1–4. Ik heb deze kerk gevestigd, LV 33:5 ( 3 Ne. 27:3–8).
Profetieën over de geboorte en dood van Jezus Christus: Een maagd zal zwanger worden en een zoon baren, Jes. 7:14 ( 1 Ne. 11:13–20). Een heerser over Israël zal voortkomen uit Betlehem, Micha 5:2. Samuël de Lamaniet profeteert een dag en een nacht en een dag waarin het niet donker zal zijn, een nieuwe ster en andere tekenen, Hel. 14:2–6; Samuël de Lamaniet profeteert duisternis, donderslagen, bliksemschichten en aardbevingen, Hel. 14:20–27. De tekenen van Jezus’ geboorte vervuld, 3 Ne. 1:15–21. De tekenen van Jezus’ dood vervuld, 3 Ne. 8:5–23.
Rechter: Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid, Ps. 9:8 ( 3 Ne. 27:16). Hij komt om de aarde te richten, Ps. 96:13. Over de rechtvaardige en de onrechtvaardige zal God gericht oefenen, Pred. 3:17. Hij zal richten tussen volk en volk, Jes. 2:4 (Micha 4:3; 2 Ne. 12:4). Hij zal de geringen in gerechtigheid richten, Jes. 11:2–4. De Vader heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, Joh. 5:22. Indien Ik al oordeel, dan is mijn oordeel waarachtig, Joh. 8:16. Hij is door God aangesteld tot rechter over levenden en doden, Hand. 10:42 (2 Tim. 4:1). God oordeelt het in de mens verborgene door Jezus Christus, Rom. 2:16. Wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel van God, Rom. 14:10 (2 Kor. 5:10; Alma 12:12; Mrm. 3:20; 7:6; Ether 12:38; LV 135:5). Alle mensen komen tot God om door Hem te worden geoordeeld volgens de waarheid en heiligheid die in Hem zijn, 2 Ne. 2:10. Sta voor God om te worden geoordeeld naar uw werken, Alma 5:15 ( Alma 12:15; 33:22; 3 Ne. 27:14). God en Christus zijn Rechter van allen, LV 76:68.
Verschijningen van Christus na zijn dood: Na zijn opstanding verschijnt Jezus eerst aan Maria, Marc. 16:9 (Joh. 20:11–18). Jezus wandelt en spreekt met twee van de discipelen op de weg naar Emmaüs, Luc. 24:13–34. Jezus verschijnt aan de apostelen, die zijn handen en voeten betasten, Luc. 24:36–43 (Joh. 20:19–20). Jezus verschijnt aan Tomas, Joh. 20:24–29. Jezus verschijnt aan de discipelen bij de zee van Tiberias, Joh. 21:1–14. Na zijn opstanding onderwijst Jezus zijn apostelen veertig dagen lang, Hand. 1:2–3. Stefanus ziet Jezus staande ter rechterhand Gods, Hand. 7:55–56. Jezus verschijnt aan Saulus, Hand. 9:1–8 (BJS, Hand. 9:7; Hand. 26:9–17). Christus gezien door meer dan vijfhonderd mensen, 1 Kor. 15:3–8. Jezus toont Zich aan het volk van Nephi, 3 Ne. 11:1–17. 2500 mensen zien en horen Jezus, 3 Ne. 17:16–25. De Heer kwam tot Mormon, Mrm. 1:15. Joseph Smith en Sidney Rigdon zien de Heer ter rechterhand Gods, LV 76:22–23. Joseph Smith en Oliver Cowdery zien Jezus in de Kirtlandtempel, LV 110:1–4. Joseph Smith ziet Jezus. GJS 1:15–17.
Voorsterfelijk bestaan van Christus: De Heer verschijnt aan Abraham, Gen. 12:7 (Gen. 17:1; 18:1; Abr. 2:6–8). De Heer sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, Ex. 33:11 (Deut. 34:10; Moz. 1:1–2). Ik zag de Heer staan bij het altaar, Amos 9:1. In den beginne was het Woord bij God. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, Joh. 1:1, 14 (1 Joh. 1:1–3). Eer Abraham was, ben Ik, Joh. 8:58. Verheerlijk Gij Mij, Vader, met de heerlijkheid die Ik bij U had, eer de wereld was, Joh. 17:5. Jesaja heeft voorwaar mijn Verlosser gezien, zoals ik en mijn broeder Jakob Hem ook hebben gezien, 2 Ne. 11:2–3. Morgen kom Ik in de wereld, 3 Ne. 1:12–14. Christus was voor de wereld begon, 3 Ne. 26:5 (Joh. 6:62). Zoals Ik aan u verschijn, zo zal Ik aan mijn volk verschijnen in het vlees, Ether 3:14–17. Henoch zag de Heer en wandelde met Hem, LV 107:48–49. Mijn geliefde Zoon, die vanaf het begin mijn geliefde en mijn uitverkorene is geweest, Moz. 4:2. De Heer zei: Wie zal Ik zenden? En een, gelijk de Zoon des Mensen, antwoordde: Hier ben Ik, zend Mij, Abr. 3:27.
Zinnebeelden of symbolen van Christus: Abel brengt een offer van de eerstelingen van zijn schapen, Gen. 4:4 ( Moz. 5:20). Neem uw enige zoon, Isaak, en offer hem tot een brandoffer, Gen. 22:1–13 ( Jakob 4:5). De Heer gebiedt de kinderen van Israël een gaaf stuk kleinvee te offeren, Ex. 12:5, 21, 46 (Num. 9:12; Joh. 1:29; 19:33; 1 Pet. 1:19; Op. 5:6). Dit is het brood dat de Heer u tot spijze gegeven heeft, Ex. 16:2–15 (Joh. 6:51). Sla op de rots en daaruit zal water tevoorschijn komen, zodat het volk kan drinken, Ex. 17:6 (Joh. 4:6–14; 1 Kor. 10:1–4). De bok zal al hun ongerechtigheden op zich dragen, Lev. 16:20–22 (Jes. 53:11; Mos. 14:11; 15:6–9). Mozes plaatste een koperen slang op een staak om hen die ernaar wilden opkijken, te redden, Num. 21:8–9 (Joh. 3:14–15; Alma 33:19; Hel. 8:14–15). Jona is drie dagen in het ingewand van de vis, Jona 1:17 (Matt. 12:40). Dit is een zinnebeeld van het offer van de Eniggeborene des Vaders, Moz. 5:4–8.
|