Voor de heiligen der laatste dagen betekent het
avondmaal de verordening waarbij zij nemen van het brood en het water ter gedachtenis van Christus’ zoenoffer. Het gebroken brood stelt zijn gebroken vlees voor; het water stelt het bloed voor dat Hij vergoot ter verzoening van onze zonden (1 Kor. 11:23–25;
LV 27:2). Wanneer daartoe waardige kerkleden van het avondmaal nemen, beloven zij de naam van Christus op zich te nemen, Hem altijd indachtig te zijn en zijn geboden te onderhouden. Door middel van deze verordening hernieuwen de leden van de kerk hun doopverbond.
Tijdens de laatste maaltijd met de apostelen weidt Jezus uit over de verordening van het avondmaal (Matt. 26:17–28; Luc. 22:1–20).
Jezus nam een brood en sprak de zegen uit; Hij nam een beker en sprak de dankzegging uit,
Matt. 26:26–28 (Marc. 14:22–24; Luc. 22:19–20). Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven,
Joh. 6:54. Wie op onwaardige wijze eet en drinkt, doet dat tot zijn eigen oordeel,
1 Kor. 11:27–29 (
3 Ne. 18:29). Jezus leert zijn twaalf Nephitische discipelen wat het avondmaal betekent,
3 Ne. 18:1–11. Jezus leert deze discipelen niet toe te staan dat iemand van het avondmaal neemt die het onwaardig is,
3 Ne. 18:28–29 (
Mrm. 9:29). De avondmaalsgebeden gegeven,
Mro. 4–5 (
LV 20:75–79). Het avondmaal moet worden bediend door een priester of ouderling,
LV 20:46, 76. Leraren en diakenen hebben niet het gezag om de zegen over het avondmaal uit te spreken,
LV 20:58. Andere vloeistoffen dan wijn mogen bij het avondmaal worden gebruikt,
LV 27:1–4.