Arm aan stoffelijke zaken: Gij zult uw hand niet gesloten houden voor uw arme broeder,
Deut. 15:7. Over de trots van de goddeloze is de ellendige ontstoken,
Ps. 10:2. Wie de arme geeft, zal geen gebrek lijden,
Spr. 28:27. Breng de arme zwerveling in uw huis,
Jes. 58:6–7. Als gij volmaakt wilt zijn, geef dan uw bezit aan de armen,
Matt. 19:21 (Marc. 10:21; Luc. 18:22). Heeft God niet de armen naar de wereld uitverkoren?
Jak. 2:5. Omdat zij rijk zijn, verachten zij de armen,
2 Ne. 9:30. Deel mee van uw bezit aan de armen om vergeving van uw zonden te behouden,
Mos. 4:26. Zij deelden mee van hun bezit aan de armen,
Alma 1:27. Indien gij de behoeftigen wegzendt, is uw gebed tevergeefs,
Alma 34:28. De Nephieten hadden alle dingen onder hen gemeenschappelijk; zodoende waren er geen armen en rijken,
4 Ne. 1:3. Gij zult aan de armen denken,
LV 42:30 (
LV 52:40). Wee de armen wier hart niet gebroken is,
LV 56:17–18. De armen zullen naar de bruiloft van het Lam komen,
LV 58:6–11. De bisschop moet de armen vinden,
LV 84:112. De zorg voor de armen vindt plaats volgens de wet van het evangelie,
LV 104:17–18. Er waren geen armen onder hen,
Moz. 7:18.
Arm van geest: Wie zich verootmoedigen zonder daartoe wegens armoede gedwongen te zijn, zijn méér gezegend,
Alma 32:4–6, 12–16. Gezegend de armen van geest die tot Mij komen,
3 Ne. 12:3 (Matt. 5:3). De armen en zachtmoedigen zullen het evangelie gepredikt krijgen,
LV 35:15.