In het Grieks betekent
apostel ‘iemand die uitgezonden is’. Het is de titel die Jezus geeft aan de Twaalf die Hij kiest en ordent als zijn naaste discipelen en helpers tijdens zijn aardse bediening (Luc. 6:13; Joh. 15:16). Hij zendt hen uit om Hem, na zijn hemelvaart, te vertegenwoordigen en zijn bediening voort te zetten. Destijds was, en ook nu in het Quorum der Twaalf Apostelen in de herstelde kerk, is een apostel een bijzondere getuige van Jezus Christus voor de gehele wereld, om te getuigen van zijn goddelijkheid en van zijn opstanding uit de doden (Hand. 1:22;
LV 107:23).
Christus’ kerk is gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten,
Ef. 2:20; 4:11. Lehi en Nephi zien de twaalf apostelen die Jezus volgen,
1 Ne. 1:10;
11:34. Apostelen zullen het huis van Israël oordelen,
Mrm. 3:18. Wie geen acht slaan op de woorden van de profeten en apostelen, zullen worden afgesneden,
LV 1:14 (
3 Ne. 12:1). De roeping en zending van de Twaalf geopenbaard,
LV 18:26–36. Joseph Smith als apostel geordend,
LV 20:2;
21:1. Apostelen zijn bijzondere getuigen van Christus’ naam en dragen de sleutels van de bediening,
LV 27:12 (
LV 112:30–32). De twaalf apostelen vormen een quorum dat evenveel gezag heeft als het Eerste Presidium,
LV 107:23–24. De Twaalf vormen een reizende presiderende hoge raad,
LV 107:33. De apostelen dragen de sleutels van het zendingswerk,
LV 107:35. Enkele plichten van de apostelen omschreven,
LV 107:58. Ik zeg tot alle Twaalf: Volgt Mij en weidt mijn schapen,
LV 112:14–15. Wij geloven in apostelen,
Art. 1:6.
Jezus kiest twaalf apostelen uit zijn discipelen,
Luc. 6:13–16. Mattias als apostel gekozen,
Hand. 1:21–26. Oliver Cowdery en David Whitmer geboden de Twaalf uit te zoeken,
LV 18:37–39.