De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
ONDERWERPEN OP ALFABET
Ambt, ambtsdrager
Positie van gezag of verantwoordelijkheid in een organisatie. In de Schriften betekent het vaak een positie met priesterschapsgezag. Het kan ook slaan op de taken die gepaard gaan met die positie of de persoon die de positie bekleedt.
Alle leden hebben niet dezelfde werkzaamheden, Rom. 12:4. Wij maakten ons ambt groot voor de Heer, Jakob 1:19. Melchizedek ontving het ambt van het hoge priesterschap, Alma 13:18. De taak van de bediening van engelen is mensen tot bekering te roepen, Mro. 7:31. Niemand mag tot enig ambt in deze kerk worden geordend, zonder de stem van die kerkgemeente, LV 20:65. Laat eenieder zijn eigen functie uitoefenen, LV 84:109. Presidenten, of presiderende ambtsdragers, komen voort uit hen die geordend zijn tot de verschillende ambten in deze twee priesterschappen, of ze worden uit hun midden benoemd, LV 107:21. De plichten van hen die de ambten van de priesterschapsquorums presideren worden beschreven, LV 107:85–98. Laat eenieder zijn plicht leren kennen, en het ambt waartoe hij is benoemd, leren uitoefenen, LV 107:99–100. Ik geef u nu de ambtsdragers die tot mijn priesterschap behoren, LV 124:123.