De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
ONDERWERPEN OP ALFABET
Afgoderij
De aanbidding van afgoden of een buitensporige gehechtheid of overgave aan iets of iemand.
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben, Ex. 20:3 (Mos. 12:35; 13:12–13). Indien gij andere goden achterna loopt, zult gij zeker omkomen, Deut. 8:19. Ongezeglijkheid is afgoderij, 1 Sam. 15:23. Want buiten Mij om hebt gij uw legerstede opgeslagen, Jes. 57:8. Gij hebt de goden geroemd van zilver en goud, Dan. 5:23. Gij kunt niet God dienen én Mammon, Matt. 6:24. Hebzucht is afgoderij, Kol. 3:5. Kinderkens, wacht u voor de afgoden, 1 Joh. 5:21. Wee hun die afgoden aanbidden, 2 Ne. 9:37. De afgoderij van het volk van Nephi heeft oorlogen en verwoestingen over hen gebracht, Alma 50:21. Ieder mens wandelt naar het beeld van zijn eigen god, LV 1:16. Laten zij met hun eigen handen arbeiden, opdat er geen afgoderij bedreven wordt, LV 52:39. Abrahams vader werd door afgoderij misleid, Abr. 1:27.