De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
De
Leer en Verbonden
AFDELING 56
  16 Wee u, gij arijken, die uw bezit niet aan de barmen wilt cgeven, want uw drijkdommen zullen uw ziel verderven; en dit zal uw jammerklacht zijn op de dag van bezoeking en van oordeel en van gramschap: Voorbij is de eoogst, ten einde de zomer, en mijn ziel is niet gered!

Voetnoten
16a
Jer. 17:11.
2 Ne. 9:30.
  30 Maar wee de arijken die rijk zijn met betrekking tot de dingen der wereld; want omdat zij rijk zijn, verachten zij de barmen en vervolgen zij de zachtmoedigen, en is hun hart op hun schatten gesteld; daarom is hun schat hun god. En zie, hun schat zal ook met hen vergaan.
b
c
Spr. 14:31.
Alma 5:55–56.
  55 ja, blijft gij de aarmen en de behoeftigen de rug toekeren en hun uw bezit onthouden?
d
Jak. 5:3.
e
Jer. 8:20.
Alma 34:33–35.
  33 En nu, zoals ik u reeds heb gezegd, daar gij zovele getuigenissen hebt ontvangen, smeek ik u dus de dag van uw abekering niet tot het einde buit te stellen; want na de dag van dit leven — die ons is gegeven om ons op de eeuwigheid voor te bereiden — zie, indien wij onze tijd in dit leven niet nuttig besteden, dan komt de cnacht van dduisternis, waarin geen arbeid kan worden verricht.
LV 45:2.
  2 En wederom zeg Ik: Luister naar mijn stem, opdat de adood u niet achterhaalt; op een buur dat gij het niet verwacht, is de zomer ten einde en de coogst voorbij, en uw ziel niet gered.