De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
De
Leer en Verbonden
AFDELING 3
  6 En zie, hoe dikwijls hebt u de geboden en de wetten van God aovertreden en bleef u gehoor geven aan de boverredingen van mensen.

Voetnoten
6a
LV 5:21.
  21 En nu gebied Ik u, mijn dienstknecht Joseph, u te bekeren, en oprechter voor mijn aangezicht te wandelen en niet meer voor de overredingen van mensen te zwichten;
GJS 1:28–29.
  28 In de periode tussen het tijdstip waarop ik het visioen had ontvangen en het jaar achttienhonderddrieëntwintig — waarin het mij verboden was mij bij enige godsdienstige sekte van die tijd aan te sluiten, en waarin ik nog zeer jong was en vervolgd werd door hen die mijn vrienden hadden moeten zijn en mij vriendelijk hadden moeten behandelen, en die mij, indien zij dachten dat ik misleid was, op een behoorlijke en liefdevolle wijze hadden moeten proberen terug te winnen — stond ik aan allerlei averleidingen bloot; en daar ik omgang had met gezelschap van allerlei aard, verviel ik vaak in vele domme fouten, en vertoonde ik de zwakheid der jeugd en de gebreken der menselijke natuur, hetgeen mij, het spijt mij het te moeten zeggen, in allerlei verzoekingen bracht, die aanstootgevend in Gods ogen waren. Bij het afleggen van deze bekentenis hoeft niemand mij schuldig te achten aan enige grote of verderfelijke zonden. De neiging tot het bedrijven daarvan heeft nooit in mijn aard gelegen. Maar ik had mij schuldig gemaakt aan lichtzinnigheid en ging soms om met joviaal gezelschap enzovoort, hetgeen niet verenigbaar was met de reputatie die in stand moet worden gehouden door iemand die door God bgeroepen was, zoals ik. Maar dat zal niemand erg vreemd voorkomen die zich mijn jeugd herinnert en bekend is met mijn van nature opgeruimde aard.
b
LV 45:29.
  29 maar zij aaanvaarden het niet; want zij merken het licht niet op en wenden hun bhart van Mij af wegens de cvoorschriften van de mens.
LV 46:7.
  7 Maar het wordt u geboden in alle dingen God te avragen, die mildelijk geeft; en Ik wil dat gij in alle bheiligheid des harten doet wat de Geest tot u getuigt, en daarbij oprecht wandelt voor mijn aangezicht, de uitwerking van uw behoudenis cvoor ogen houdt en alle dingen onder gebed en ddankzegging doet, opdat gij niet door boze geesten of de leerstellingen van eduivels of de fgeboden van mensen zult worden gmisleid; want sommige zijn van mensen en andere van duivels.