De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
De
Leer en Verbonden
AFDELING 20
  5 Nadat het waarlijk was geopenbaard aan deze eerste ouderling dat hij vergeving van zijn zonden had ontvangen, raakte hij opnieuw averstrikt in de ijdelheden der wereld;

Voetnoten
5a
GJS 1:28–29.
  28 In de periode tussen het tijdstip waarop ik het visioen had ontvangen en het jaar achttienhonderddrieëntwintig — waarin het mij verboden was mij bij enige godsdienstige sekte van die tijd aan te sluiten, en waarin ik nog zeer jong was en vervolgd werd door hen die mijn vrienden hadden moeten zijn en mij vriendelijk hadden moeten behandelen, en die mij, indien zij dachten dat ik misleid was, op een behoorlijke en liefdevolle wijze hadden moeten proberen terug te winnen — stond ik aan allerlei averleidingen bloot; en daar ik omgang had met gezelschap van allerlei aard, verviel ik vaak in vele domme fouten, en vertoonde ik de zwakheid der jeugd en de gebreken der menselijke natuur, hetgeen mij, het spijt mij het te moeten zeggen, in allerlei verzoekingen bracht, die aanstootgevend in Gods ogen waren. Bij het afleggen van deze bekentenis hoeft niemand mij schuldig te achten aan enige grote of verderfelijke zonden. De neiging tot het bedrijven daarvan heeft nooit in mijn aard gelegen. Maar ik had mij schuldig gemaakt aan lichtzinnigheid en ging soms om met joviaal gezelschap enzovoort, hetgeen niet verenigbaar was met de reputatie die in stand moet worden gehouden door iemand die door God bgeroepen was, zoals ik. Maar dat zal niemand erg vreemd voorkomen die zich mijn jeugd herinnert en bekend is met mijn van nature opgeruimde aard.