De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
Dit beslaat de hoofdstukken 9 tot en met 14.
HOOFDSTUK 9
  18 Maar zie, ik zeg u dat indien gij in uw goddeloosheid volhardt, uw dagen in het land niet zullen worden verlengd, want de aLamanieten zullen op u worden losgelaten; en indien gij u niet bekeert, zullen zij komen op een moment waarvan gij geen weet hebt, en gij zult met bvolkomen vernietiging worden bezocht; en het zal zijn volgens de brandende ctoorn des Heren.

Voetnoten
18a
Alma 16:2–3.
  2 Want zie, de legers der Lamanieten waren vanaf de kant van de wildernis de grensstreken van het land binnengevallen, ja, in de stad aAmmonihah, en zij begonnen het volk te doden en de stad te verwoesten.
b
Alma 16:9.
  9 En aldus eindigde het elfde jaar der rechters; de Lamanieten waren uit het land verdreven en het volk van Ammonihah was avernietigd; ja, iedere levende ziel der Ammonihahieten was bvernietigd, en ook hun grote stad, die God volgens hen niet kon vernietigen wegens haar grootheid.
c
Alma 8:29.
  29 En het woord kwam tot Alma, zeggende: Ga, en zeg ook tot mijn dienstknecht Amulek: Ga uit en profeteer tot dit volk, zeggende: aBekeert u, want aldus zegt de Heer, tenzij gij u bekeert, zal Ik dit volk in mijn toorn bezoeken; ja, en Ik zal mijn brandende toorn niet afwenden.