De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
Dit beslaat hoofdstuk 7.
HOOFDSTUK 7
  9 Maar zie, dit heeft de Geest wél tot mij gezegd: Roep dit volk toe, zeggende: aBekeert u en bereidt de weg des Heren, en wandelt op zijn paden, die recht zijn; want zie, het koninkrijk van de hemel is nabij, en de Zoon Gods bkomt op het oppervlak der aarde.

Voetnoten
9a
Matt. 3:2–4.
Alma 9:25.
  25 En nu, om die reden, dat gij niet zult worden weggevaagd, heeft de Heer zijn engel gezonden om naar velen van zijn volk om te zien, om hun te verkondigen dat zij moeten uitgaan en dit volk krachtig toeroepen, zeggende: aBekeert u, want het koninkrijk van de hemel is nabij;
b
Mos. 3:5.
  5 Want zie, de tijd komt en is niet veraf, dat de aalmachtige Heer die regeert, die van alle eeuwigheid tot alle eeuwigheid was en is, met macht uit de hemel zal neerdalen onder de mensenkinderen en in een btabernakel van leem zal wonen en onder de mensen zal uitgaan en machtige cwonderen verrichten — zoals de zieken genezen, de doden opwekken, de lammen doen lopen, de blinden hun gezicht geven en de doven doen horen en allerlei kwalen genezen.
Mos. 7:27.
  27 En omdat hij hun zeide dat Christus de aGod, de Vader van alle dingen was, en zeide dat Hij het beeld van de mens zou aannemen, en dat dat het bbeeld zou zijn waarnaar de mens in het begin was geschapen; of met andere woorden, hij zeide dat de mens naar het beeld van cGod was geschapen, en dat God onder de mensenkinderen zou neerdalen en vlees en bloed zou aannemen en zou uitgaan over het oppervlak der aarde —
Mos. 15:1–2.
  1 En nu zeide Abinadi tot hen: Ik wil dat gij begrijpt dat aGod zelf onder de mensenkinderen zal neerdalen en zijn volk zal bverlossen.