De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
Dit beslaat hoofdstuk 5.
HOOFDSTUK 5
  37 O gij werkers der ongerechtigheid, gij die zijt opgeblazen in de aijdelheden der wereld, gij die hebt beweerd de wegen der gerechtigheid te hebben gekend, zijt niettemin bafgedwaald als cschapen die geen herder hebben, hoewel een herder u heeft dgeroepen en u nog steeds roept, maar gij wilt niet eluisteren naar zijn stem!

Voetnoten
37a
b
2 Ne. 12:5.
  5 O huis van Jakob, komt en laten wij wandelen in het licht des Heren; ja, komt, want gij zijt allen aafgedwaald, eenieder tot zijn goddeloze wegen.
2 Ne. 28:14.
  14 Zij houden hun ahals star en hun hoofd hoog; ja, en ten gevolge van hoogmoed en goddeloosheid en gruwelen en hoererijen zijn zij allen bafgedwaald, op enkelen na, die de ootmoedige volgelingen van Christus zijn; evenwel worden dezen zo geleid dat zij in vele gevallen dwalen, omdat zij volgens de voorschriften van mensen worden onderricht.
Mos. 14:6.
  6 Wij allen zijn als aschapen afgedwaald; wij hebben ons ieder naar onze eigen weg gewend; en de Heer heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen.
c
Matt. 9:36.
d
Spr. 1:24–27.
Jes. 65:12.
e
Jer. 26:4–5.
Alma 10:6.
  6 Niettemin verstokte ik mijn hart, want ik werd menigmaal ageroepen, maar wilde niet bluisteren; daarom wist ik van deze dingen, maar toch wilde ik niet weten; daarom bleef ik mij in de goddeloosheid van mijn hart tegen God verzetten, ja, tot de vierde dag van deze zevende maand, die in het tiende jaar van de regering der rechters is.