De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 43
  46 En zij deden hetgeen volgens hen de aplicht was die zij hun God verschuldigd waren; want de Heer had hun gezegd, en ook aan hun vaderen: bOmdat gij niet schuldig zijt aan de ceerste ergernis, noch aan de tweede, zult gij niet toelaten dat gij wordt gedood door de hand van uw vijanden.

Voetnoten
46a
b
Alma 48:14.
  14 Nu werd het de Nephieten geleerd zich tegen hun vijanden te verdedigen, indien nodig zelfs tot het vergieten van bloed toe; ja, en het werd hun ook geleerd anooit aanstoot te geven, ja, en nooit het zwaard op te heffen, behalve tegen een vijand, behalve om hun leven te bewaren.
LV 98:33–36.
  33 En voorts, dit is de awet die Ik aan mijn ouden heb gegeven, dat zij tegen geen enkele natie, geslacht, taal of volk ten strijde mochten trekken, tenzij Ik, de Heer, het hun gebood.
c
3 Ne. 3:21.
  21 Maar Gidgiddoni zeide tot hen: De Heer averhoede het; want indien wij tegen hen optrokken, zou de Heer ons in hun handen boverleveren; daarom zullen wij ons in het midden van onze landen voorbereiden, en wij zullen al onze legers verzamelen en wij zullen niet tegen hen optrekken, maar wachten totdat zij tegen ons optrekken; daarom, zowaar de Heer leeft, indien wij dit doen, zal Hij hen in onze handen overleveren.
LV 98:23–24.
  23 Welnu, Ik spreek tot u aangaande uw gezin — indien de mensen u, of uw gezin, eenmaal aslaan, en gij het geduldig verdraagt en hen niet beschimpt, noch wraak zoekt, zult gij worden beloond;