De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
Dit beslaat de hoofdstukken 36 en 37.
HOOFDSTUK 36
  2 Ik wil dat gij doet zoals ik heb gedaan en de gevangenschap van onze vaderen gedenkt; want zij leefden in aknechtschap, en niemand kon hen bevrijden dan alleen de bGod van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jakob; en stellig heeft Hij hen in hun benauwingen bevrijd.

Voetnoten
2a
Mos. 23:23.
  23 Want zie, ik zal u tonen dat zij geknecht werden, en niemand kon hen bevrijden dan de Heer, hun God, ja, namelijk de God van Abraham en Isaak en van Jakob.
Mos. 24:17–21.
  17 En Hij zeide tot Alma: Gij zult voor dit volk uitgaan, en Ik zal met u meegaan en dit volk uit zijn aknechtschap bevrijden.
b
Ex. 3:6.
Alma 29:11.
  11 Ja, en ik denk ook aan de gevangenschap van mijn vaderen; want ik weet zeker dat de aHeer hen uit hun knechtschap heeft bevrijd, en daardoor zijn kerk heeft gevestigd; ja, de Here God, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, heeft hen uit hun knechtschap bevrijd.