HET BOEK ALMA DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 32
28
Nu zullen wij het woord vergelijken met een azaadje. Welnu, indien gij plaats inruimt, zodat er een bzaadje in uw kan worden gezaaid, zie, indien het een deugdelijk zaadje is, of een goed zaadje, zie, dan zal het — indien gij het niet uitwerpt door uw dongeloof, zodat gij u tegen de Geest des Heren verzet — in uw boezem gaan zwellen; en wanneer gij die zwelling bemerkt, zult gij bij uzelf beginnen te zeggen: het moet wel een goed zaadje zijn, ofwel een goed woord, want het begint mijn ziel te verruimen; ja, het begint mijn everstand te verlichten, ja, het begint heerlijk voor mij te zijn.
Voetnoten
|