De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 27
  9 Maar Ammon zeide tot hem: Het is tegen de wet van onze broeders, die door mijn vader is uitgevaardigd, dat er aslaven onder hen zijn; welnu, laten wij afdalen en op de barmhartigheden van onze broeders vertrouwen.

Voetnoten
9a
Mos. 2:13.
  13 evenmin heb ik toegestaan dat gij in kerkers werdt opgesloten, noch dat gij elkaar tot slaven zoudt maken, noch dat gij zoudt moorden, of plunderen, of stelen, of overspel plegen; ja, ik heb u niet toegestaan enigerlei kwaad te bedrijven, maar ik heb u geleerd de geboden des Heren te onderhouden in alle dingen die Hij u heeft geboden —
Mos. 29:32, 38, 40.
  32 En nu verlang ik dat deze aongelijkheid niet meer voorkomt in dit land, in het bijzonder onder dit, mijn volk; ik verlang juist dat dit land een land van bvrijheid is, en dat cieder mens zijn rechten en voorrechten in gelijke mate zal kunnen genieten, voor zolang het de Heer goeddunkt dat wij leven en het land erfelijk bezitten, ja, zelfs voor zolang er nog iemand van ons nageslacht overblijft op het oppervlak van het land.