De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 26
  27 Welnu, zie, toen ons hart bedrukt was en wij wilden terugkeren, avertroostte de Heer ons en zeide: Begeeft u onder uw broeders, de Lamanieten, en draagt uw bellende met cgeduld, en Ik zal u doen slagen.

Voetnoten
27a
Alma 17:9–11.
  9 En het geschiedde dat zij vele dagen in de wildernis reisden; en zij vastten veel en abaden veel dat de Heer hun een deel van zijn Geest zou verlenen om hen te vergezellen en bij hen te blijven, opdat zij een bwerktuig in de handen Gods zouden zijn om, zo mogelijk, hun broeders, de Lamanieten, tot de kennis der waarheid te brengen, tot de kennis van de verdorvenheid van de coverleveringen van hun vaderen, die niet juist waren.
b
Alma 20:29–30.
  29 En toen Ammon hen zag, was hij buitengewoon bedroefd, want zie, zij waren naakt, en hun huid was danig doorgeschuurd doordat zij gebonden waren geweest met sterke touwen. En zij hadden tevens honger en dorst geleden en allerlei leed doorstaan; niettemin waren zij ageduldig in al hun lijden.
c