De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken     Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 26
  1 En nu, dit zijn de woorden van Ammon aan zijn broeders, die luiden: Mijn broeders en mijn broeders in de Heer, zie, ik zeg u, hoeveel reden hebben wij niet om ons te verheugen; want hadden wij bij ons avertrek uit het land Zarahemla kunnen denken dat God ons zulke grote zegeningen zou vergunnen?

Voetnoten
1a
Mos. 28:9.
  9 En zij atrokken de wildernis in om op te gaan en het woord onder de Lamanieten te prediken; en ik zal hierna bverslag van hun handelingen uitbrengen.
Alma 17:6–11.
  6 Dit nu waren hun reizen, nadat zij, in het eerste jaar der rechters, aafscheid hadden genomen van hun vader Mosiah; nadat zij het koninkrijk hadden bgeweigerd dat hun vader hun wilde schenken, hetgeen ook de zin van het volk was;