De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 22
  2 En het geschiedde dat hij met zijn broeders bij hem binnentrad in het paleis van de koning, en hij boog zich voor de koning en zeide tot hem: Zie, o koning, wij zijn de broeders van Ammon, die gij uit de gevangenis hebt avrijgelaten.

Voetnoten
2a
Alma 20:26.
  26 En toen hij zag dat Ammon geen verlangen had om hem te vernietigen, en toen hij ook de grote liefde zag die hij voor zijn zoon Lamoni koesterde, was hij buitengewoon verbaasd en zeide: Omdat dat alles is wat gij hebt verlangd — dat ik uw broeders vrijlaat, en toesta dat mijn zoon Lamoni zijn koninkrijk behoudt — zie, zal ik u toestaan dat mijn zoon vanaf dit tijdstip en voor eeuwig zijn koninkrijk behoudt; en ik zal hem niet meer regeren —