De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 16
  9 En aldus eindigde het elfde jaar der rechters; de Lamanieten waren uit het land verdreven en het volk van Ammonihah was avernietigd; ja, iedere levende ziel der Ammonihahieten was bvernietigd, en ook hun grote stad, die God volgens hen niet kon vernietigen wegens haar grootheid.

Voetnoten
9a
Alma 8:16.
  16 En zie, ik ben gezonden om u te gebieden naar de stad Ammonihah terug te keren en opnieuw tot het volk van de stad te prediken; ja, predik tot hen. Ja, zeg hun dat indien zij zich niet bekeren, de Here God hen zal avernietigen.
Alma 9:18–24.
  18 Maar zie, ik zeg u dat indien gij in uw goddeloosheid volhardt, uw dagen in het land niet zullen worden verlengd, want de aLamanieten zullen op u worden losgelaten; en indien gij u niet bekeert, zullen zij komen op een moment waarvan gij geen weet hebt, en gij zult met bvolkomen vernietiging worden bezocht; en het zal zijn volgens de brandende ctoorn des Heren.
Mrm. 6:15–22.
  15 En het geschiedde dat er nog tien waren die door het zwaard waren gevallen, allen met hun tienduizend; ja, zelfs amijn gehele volk was gevallen, behalve die vierentwintig die bij mij waren en tevens enkelen die naar de zuidelijke landen waren ontkomen, en enkelen die naar de Lamanieten waren overgelopen; en hun vlees en beenderen en bloed lagen op het oppervlak der aarde, achtergelaten door de handen die hen hadden gedood, om op het land te vergaan en uiteen te vallen en terug te keren tot hun moeder aarde.
b
Alma 25:1–2.
  1 En zie, nu geschiedde het dat die Lamanieten nog toorniger waren omdat zij hun broeders hadden gedood; daarom zwoeren zij wraak te nemen op de Nephieten; en op dat tijdstip trachtten zij niet meer het volk van aAnti-Nephi-Lehi te doden.