De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 14
  7 En het geschiedde dat hij het volk begon toe te roepen, zeggende: Zie, ik ben aschuldig en deze mannen zijn vlekkeloos voor het aangezicht van God. En van die tijd af begon hij hen te verdedigen; maar zij beschimpten hem, zeggende: Zijt ook gij van de duivel bezeten? En zij bespuwden hem en bwierpen hem uit hun midden, en tevens allen die geloofden in de woorden die Alma en Amulek hadden gesproken; en zij wierpen hen uit en zonden mannen om stenen naar hen te werpen.

Voetnoten
7a
Alma 11:21–37.
  21 En deze Zeëzrom begon Amulek te ondervragen, zeggende: Wilt gij mij enkele vragen beantwoorden die ik u zal stellen? Nu was Zeëzrom iemand die zeer bedreven was in de alisten van de duivel om het goede te vernietigen; daarom zeide hij tot Amulek: Wilt gij de vragen beantwoorden die ik u zal stellen?
b
Alma 15:1.
  1 En het geschiedde dat Alma en Amulek werd geboden uit die stad te vertrekken; en zij vertrokken en gingen naar het land Sidom; en zie, daar troffen zij alle mensen aan die uit het land aAmmonihah waren vertrokken, die waren buitgeworpen en gestenigd omdat zij in de woorden van Alma geloofden.