HET BOEK ALMA DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 14
7
En het geschiedde dat hij het volk begon toe te roepen, zeggende: Zie, ik ben aschuldig en deze mannen zijn vlekkeloos voor het aangezicht van God. En van die tijd af begon hij hen te verdedigen; maar zij beschimpten hem, zeggende: Zijt ook gij van de duivel bezeten? En zij bespuwden hem en hem uit hun midden, en tevens allen die geloofden in de woorden die Alma en Amulek hadden gesproken; en zij wierpen hen uit en zonden mannen om stenen naar hen te werpen.
Voetnoten
|