De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 11
  37 En ik zeg u nogmaals dat Hij hen niet in hun azonden kan redden, want ik kan zijn woord niet loochenen, en Hij heeft gezegd dat bniets onreins het ckoninkrijk van de hemel kan beërven; welnu, hoe kunt gij worden gered, tenzij gij het koninkrijk van de hemel beërft? Daarom kunt gij niet in uw zonden worden gered.

Voetnoten
37a
1 Kor. 6:9–10.
b
1 Ne. 15:33.
  33 Daarom, indien zij in hun goddeloosheid astierven, moesten ook zij worden bverworpen ten aanzien van de dingen die geestelijk zijn en op de gerechtigheid betrekking hebben; daarom moesten zij voor God worden gebracht om naar hun cwerken te worden dgeoordeeld; en indien hun werken vuilheid waren geweest, moesten zij zelf wel evuil zijn; en indien zij vuil waren, moest het wel zo zijn dat zij niet fin het koninkrijk Gods konden wonen; anders zou het koninkrijk Gods eveneens vuil zijn.
Alma 40:26.
  26 Maar zie, een vreselijke adood komt over de goddelozen; want zij sterven ten opzichte van dingen die met de dingen der gerechtigheid te maken hebben; want zij zijn onrein, en niets bonreins kan het koninkrijk Gods beërven; want zij worden uitgeworpen en overgeleverd om de vruchten te nuttigen van hun arbeid, of hun werken, die kwaad zijn geweest; en zij drinken de droesem van een bittere beker.
3 Ne. 27:19.
  19 En aniets onreins kan zijn koninkrijk ingaan; daarom gaat niemand tot zijn brust in behalve zij die hun klederen in mijn bloed hebben cgereinigd, wegens hun geloof en de bekering van al hun zonden en hun getrouwheid tot het einde.
c