De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET BOEK ALMA
DE ZOON VAN ALMA
HOOFDSTUK 10
  17 Nu wisten zij niet dat Amulek hun boze plannen kon doorzien. Het geschiedde echter toen zij hem begonnen te ondervragen, dat hij hun gedachten awaarnam, en hij zeide tot hen: O gij goddeloos en verkeerd bgeslacht, gij wetgeleerden en huichelaars, want gij legt het fundament van de duivel; want gij legt cstrikken en netten om de heiligen Gods te vangen.

Voetnoten
17a
Alma 12:3.
  3 Welnu, Zeëzrom, gij ziet dat gij zijt betrapt op uw leugens en listigheid, want gij hebt niet alleen tegen mensen gelogen, maar gij hebt tegen God gelogen; want zie, Hij kent al uw agedachten, en gij ziet dat uw gedachten ons worden bekendgemaakt door zijn Geest;
Alma 20:18, 32.
  18 En voorts is het raadzaam dat gij u inhoudt; want indien gij uw zoon adoodt, die een onschuldig mens is, zal zijn bloed van de aardbodem tot de Heer, zijn God, roepen om wraak over u; en misschien zult gij uw bziel verliezen.
LV 6:16.
  16 ja, Ik zeg het u, opdat gij zult weten dat er buiten God niemand is die uw gedachten en de overleggingen van uw ahart bkent.
b
Matt. 3:7.
Alma 9:8.
  8 Zie, o gij goddeloos en verkeerd ageslacht, hoe hebt gij de overleveringen van uw vaderen kunnen vergeten; ja, hoe vlug zijt gij de geboden Gods vergeten.
c
LV 10:21–27.
  21 en hun hart is averdorven en vol bgoddeloosheid en gruwelen; en zij hebben de cduisternis meer dlief dan het licht, want hun ewerken zijn boos; daarom willen zij Mij niet vragen.