De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
DRIE NEPHI
Het boek Nephi

DE ZOON VAN NEPHI, DIE DE ZOON VAN HELAMAN WAS
HOOFDSTUK 24
De bode des Heren zal de weg bereiden voor de wederkomst — Christus zal oordelen — Israël wordt geboden tienden en offergaven te betalen — Er wordt een gedenkboek bijgehouden — Vergelijk Maleachi 3. Ongeveer 34 n.C.
  1 En het geschiedde dat Hij hun gebood de woorden op te schrijven die de Vader aan Maleachi had gegeven en die Hij hun moest verkondigen. En het geschiedde, toen zij waren opgeschreven, dat Hij ze uitlegde. En dit zijn de woorden die Hij hun verkondigde, zeggende: Aldus zeide de Vader tot Maleachi: Zie, Ik zend mijn abode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; en de Heer, die gij zoekt, zal plotseling tot zijn tempel komen, namelijk de bode des verbonds, in wie gij u verheugt. Zie, Hij komt, zegt de Heer der heerscharen.
  2 Doch wie kan de dag van zijn komst averdragen, en wie zal bestaan als Hij verschijnt? Want Hij is als het bvuur van de smelter en als het loog van de bleker.
  3 En Hij zal zitten als een smelter en reiniger van zilver; en Hij zal de azonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Heer een offer zullen bofferen in gerechtigheid.
  4 Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de Heer aangenaam zijn zoals in de dagen vanouds en zoals in vroegere jaren.
  5 En Ik zal tot u ten gerichte naderen; en Ik zal een snelle getuige zijn tegen de tovenaars en tegen de echtbrekers en tegen de meinedigen en tegen hen die het loon van de dagloner drukken, de weduwe en de awees verdrukken en die de vreemdeling terzijde dringen en Mij niet vrezen, zegt de Heer der heerscharen.
  6 Want Ik ben de Heer, Ik verander niet; daarom zijt gij, zonen van Jakob, niet verteerd.
  7 Van de dagen van uw vaderen af zijt gij aafgeweken van mijn verordeningen en hebt ze niet onderhouden. bKeert terug tot Mij, dan zal Ik tot u terugkeren, zegt de Heer der heerscharen. Maar gij zegt: In welk opzicht zullen wij terugkeren?
  8 Mag een mens God beroven? Toch berooft gij Mij. Maar gij zegt: Waarin beroven wij U? In de atienden en de boffergaven.
  9 Met een vervloeking zijt gij vervloekt, want gij hebt Mij beroofd, ja, dit gehele volk.
  10 Brengt alle atienden naar het voorraadhuis, opdat er spijze zij in mijn huis; en beproeft Mij toch daarmede, zegt de Heer der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en bzegen over u uitgieten, zodat er niet genoeg plaats zal zijn om die te ontvangen.
  11 En Ik zal de afvreter om uwentwil berispen en hij zal de vrucht van uw land niet verderven; noch zal uw wijnstok zijn vrucht verliezen voor de oogsttijd op het veld, zegt de Heer der heerscharen.
  12 En alle natiën zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een aangenaam land zult zijn, zegt de Heer der heerscharen.
  13 Vermetel zijn uw woorden over Mij, zegt de Heer. Toch zegt gij: Wat hebben wij tegen U gesproken?
  14 Gij hebt gezegd: Nutteloos is het God te dienen; wat gewin geeft het, dat wij zijn verordeningen onderhouden en dat wij in rouw gaan voor het aangezicht van de Heer der heerscharen?
  15 En nu prijzen wij de hoogmoedigen gelukkig; ja, zij die goddeloosheid bedrijven, worden gebouwd; ja, zij die God verzoeken, worden zelfs bevrijd.
  16 Dan aspraken zij die de Heer vreesden dikwijls onder elkander, en de Heer luisterde en hoorde; en er werd een bgedenkboek voor zijn aangezicht geschreven ten goede van hen die de Heer vreesden en die zijn naam in ere hielden.
  17 En zij zullen de Mijnen zijn, zegt de Heer der heerscharen, ten dage dat Ik amijn juwelen bijeenbreng; en Ik zal hen sparen zoals een man zijn eigen zoon spaart, die hem dient.
  18 Dan zult gij terugkeren en aonderscheiden tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen wie God dient en wie Hem niet dient.