De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
Het Tweede Boek Nephi
HOOFDSTUK 9
  8 O, de awijsheid Gods, zijn bbarmhartigheid en cgenade! Want zie, indien het dvlees niet meer opstond, zou onze geest moeten worden onderworpen aan die engel die uit de tegenwoordigheid van de eeuwige God is egevallen en de fduivel is geworden, om niet meer op te staan.

Voetnoten
8a
Job 12:13.
Abr. 3:21.
  21 Ik woon te midden van hen allen; welnu, daarom ben Ik tot u afgedaald om u de awerken te verkondigen die mijn handen hebben gemaakt, waarin mijn bwijsheid hen allen overtreft, want ik heers boven in de hemelen en beneden op de aarde, in alle wijsheid en overleg, over alle intelligenties die uw ogen vanaf het begin hebben gezien; Ik ben in het begin afgedaald te midden van alle intelligenties die gij hebt gezien.
b
c
d
LV 93:33–34.
  33 Want de mens is ageest. De belementen zijn eeuwig, en geest en element, onscheidbaar verbonden, ontvangen een volheid van vreugde;
e
Jes. 14:12.
2 Ne. 2:17–18.
  17 En ik, Lehi, moet wel veronderstellen, door de dingen die ik heb gelezen, dat een aengel Gods, naar hetgeen geschreven staat, buit de hemel was gevallen; en aldus werd hij een cduivel, omdat hij had gezocht wat kwaad was in de ogen van God.
Moz. 4:3–4.
  3 Welnu, omdat Satan tegen Mij aopstond en trachtte de bkeuzevrijheid van de mens te vernietigen, die Ik, de Here God, hem had gegeven, en ook omdat Ik hem mijn eigen macht moest geven, liet Ik hem door de macht van mijn Eniggeborene cneerwerpen;
Abr. 3:27–28.
  27 En de aHeer zeide: Wie zal Ik zenden? En Een, gelijk de bZoon des Mensen, antwoordde: Hier ben Ik, zend Mij. En een cander antwoordde en zeide: Hier ben ik, zend mij. En de Heer zeide: Ik zal de eerste zenden.
f