Het Tweede Boek Nephi
HOOFDSTUK 22
In het millennium zullen alle mensen de Heer loven — Hij zal onder hen wonen — Vergelijk Jesaja 12. Ongeveer 559–545 v.C.
1
En te dien dage zult gij zeggen: O Heer, ik zal U loven; ofschoon Gij toornig op mij zijt geweest, heeft uw toorn zich afgewend en vertroost Gij mij.
2
Zie, God is mijn heil; ik zal avertrouwen en niet vrezen; want de Heer bJEHOVA is mijn sterkte en mijn psalm; ook is Hij mijn heil geworden.
3
Daarom, met vreugde zult gij awater scheppen uit de bronnen des heils.
4
En te dien dage zult gij zeggen: aLooft de Heer, roept zijn naam aan, maakt onder de volken zijn daden bekend, vermeldt dat zijn naam verheven is.
5
aPsalmzingt de Heer; want Hij heeft grootse dingen gedaan; dit is bekend op de ganse aarde.
6
aJuicht en jubelt, gij inwoners van Zion, want groot is de Heilige Israëls in uw midden.
|