HET EERSTE BOEK NEPHI ZIJN REGERING EN ZIJN BEDIENING
HOOFDSTUK 21
1
En voorts: Hoort, o gij huis Israëls, gij allen, die zijt afgebroken en verdreven wegens de goddeloosheid van de herders van mijn volk; ja, gij allen, die zijt afgebroken, die wijd en zijd verspreid zijt, die van mijn volk zijt, o huis Israëls. Hoort naar Mij, gij aeilanden, en luistert, gij volken van ; de Heer heeft mij geroepen van de schoot af; van het ingewand van mijn moeder af heeft Hij mijn naam gemeld.
Voetnoten
|