De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken     Volgende >
HET EERSTE BOEK NEPHI
ZIJN REGERING EN ZIJN BEDIENING
HOOFDSTUK 21
  1 En voorts: Hoort, o gij huis Israëls, gij allen, die zijt afgebroken en verdreven wegens de goddeloosheid van de herders van mijn volk; ja, gij allen, die zijt afgebroken, die wijd en zijd verspreid zijt, die van mijn volk zijt, o huis Israëls. Hoort naar Mij, gij aeilanden, en luistert, gij volken van bverre; de Heer heeft mij geroepen van de schoot af; van het ingewand van mijn moeder af heeft Hij mijn naam gemeld.

Voetnoten
1a
1 Ne. 22:4.
  4 En zie, velen zijn er van wie zij die in Jeruzalem zijn, het bestaan reeds niet meer weten. Ja, het merendeel van alle astammen is bweggevoerd; en zij zijn her- en derwaarts verstrooid over de ceilanden der zee; en niemand van ons weet waar zij zijn; wij weten alleen dat zij zijn weggevoerd.
2 Ne. 10:20–22.
  20 En nu, mijn geliefde broeders, aangezien onze barmhartige God ons zulk een grote kennis omtrent deze dingen heeft geschonken, laten wij Hem indachtig zijn en onze zonden verzaken en het hoofd niet laten hangen, want wij zijn niet verworpen; weliswaar zijn wij uit ons erfland averdreven, maar wij zijn naar een bbeter land geleid, want de Heer heeft de zee tot ons cpad gemaakt, en wij bevinden ons op een deiland der zee.
b
LV 1:1.
  1 LUISTER, o gij volk van amijn kerk, zegt de stem van Hem die woont in den hoge en wiens bogen op alle mensen rusten; ja, voorwaar, Ik zeg: cLuister, gij volk van verre; en gij die op de eilanden der zee zijt, luistert allen.