De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET EERSTE BOEK NEPHI
ZIJN REGERING EN ZIJN BEDIENING
HOOFDSTUK 2
  11 Nu zeide hij dat wegens de halsstarrigheid van Laman en Lemuël; want zie, zij amorden over vele dingen tegen hun bvader, omdat hij een cman van visioenen was en hen uit het land Jeruzalem had geleid, om hun erfland en hun goud en hun zilver en hun waardevol bezit achter te laten, en om in de wildernis om te komen. En dat, zo zeiden zij, had hij gedaan wegens de dwaze inbeeldingen van zijn hart.

Voetnoten
11a
1 Ne. 17:17.
  17 En toen mijn broeders zagen dat ik een aschip ging bouwen, begonnen zij tegen mij te morren, zeggende: Onze broeder is een dwaas, want hij denkt dat hij een schip kan bouwen; ja, en hij denkt ook dat hij deze grote wateren kan oversteken.
b
Spr. 20:20.
c
1 Ne. 5:2–4.
  2 Want zij had verondersteld dat wij in de wildernis waren omgekomen; en ook had zij mijn vader verwijten gemaakt door hem te zeggen dat hij een man van visioenen was, zeggende: Zie, gij hebt ons uit ons erfland weggevoerd, en mijn zoons zijn niet meer, en wij komen om in de wildernis.