HET EERSTE BOEK NEPHI ZIJN REGERING EN ZIJN BEDIENING
HOOFDSTUK 2
11
Nu zeide hij dat wegens de halsstarrigheid van Laman en Lemuël; want zie, zij amorden over vele dingen tegen hun bvader, omdat hij een van visioenen was en hen uit het land Jeruzalem had geleid, om hun erfland en hun goud en hun zilver en hun waardevol bezit achter te laten, en om in de wildernis om te komen. En dat, zo zeiden zij, had hij gedaan wegens de dwaze inbeeldingen van zijn hart.
Voetnoten
|